Preek zondag 20 februari 2011


 

Al komt aan de wijnstokken geen gewas,

 

Er zijn van die bijbelgedeelten die je niet zo vrolijk stemmen. Passages die de donkere zijde van mensen laten zien. Verhalen waar het verval maar voortgaat. Waar wij mensen alles in het werk stellen om van God los te geraken.

Zo een gedeelte is Ezechiël 16. Het gaat over Jeruzalem, dat door God wordt toegesproken.

 

Jeruzalem wordt vergeleken meteen baby die na de geboorte wordt weggegooid:

op de dag dat jij werd gebaard is je navelstreng niet afgesneden en werd je niet met water gewassen en schoongewreven; je werd niet met zout gezouten en niet in windselen gewonden;

geen oog zag naar je om om een van deze dingen aan je te doen uit medelijden met jou; je werd weggeworpen op het oppervlak van het veld, uit afschuw van jouw lijf-en-ziel op de dag dat jij werd gebaard;

Maar dan grijpt God in. Hij maakt de ten dode gedoemde baby tot een prachtige vrouw, een schitterende bruid:

toen kwam ik langs jou voorbij en zag jou, trappelend in je bloed; ik zei tot jou in je bloed: leef!, …… ik spreidde mijn vleugels over je uit en overdekte je naaktheid; ik bezwoer mij aan jou en kwam in een verbond met jou, is de tijding van mijn Heer, de Ene, en zo werd jij van mij; enkel bloem, honing en olie at je; je werd mooier en mooier, geschikt voor een koningschap; van jou ging een naam uit door de volkeren, door je schoonheid, want die was totaal, door mijn luister die ik op jou gelegd had,-

De van de dood geredde baby, opgegroeid tot een oogverblindende vrouw, laat vervolgens haar redder en liefhebber links liggen. Ze geeft zich als hoer aan werkelijk iedereen die haar maar wilde. En nog gruwelijker: ze doodt haar eigen kinderen:

maar je werd te zelfverzekerd door je schoonheid, en trots op je naam begon je te hoereren;

je stortte je hoererijen uit over al wie voorbijkwam,….. je nam je zonen en dochters die je voor mij had gebaard en offerde die aan hen als hun eten; had je te weinig aan je hoererijen dat je mijn zonen moest slachten?-

God schreeuwt werkelijk zijn pijn uit in dit gedeelte. Zijn liefde is onverminderd, maar het voorwerp van zijn liefde wil niet. Dan moet God zijn oordeel wel laten komen.

Een parallel lezen we in 2 Kronieken 36. Koning Joshiahoe deed God recht. De drie opvolgende koningen echter tergden God in alles. God echter blijft zijn liefde betuigen, zonder dat Israel zich daar ook maar isets aan gelegen liet liggen:

Wel zond de Ene, de God van hun vaderen, door de hand van zijn boden boodschappen tot hen, vroeg en laat; want hij had medelijden met zijn gemeente en zijn woonstee. Maar zij bleven de gek steken met de boden van God, verachtten zijn woorden en bespotten zijn profeten,- totdat de toorngloed van de Ene tegen zijn gemeente zo hoog opliep dat er geen genezen meer aan was.

Dan wordt uiteindelijk de tempel in brand gestoken en worden zij die overblijven als balling weggevoerd naar Babel. God moet wel oordelen.

Hoe zit dat vandaag de dag? Als God nu naar de aarde zou komen, moet Hij dan ook het oordeel uitspreken? Wat vindt Hij van ‘ de grote hoer’ uit Openbaring 12, het vervallen christendom? God schreeut zijn pijn uit in Klaagliederen 1 : 12: Laat u dit koud, allen die op reis voorbijkomt?- Doet het je niks? Kijk je er simpelweg langs? Raakt het je niet, dat het Christendom zozeer een puinhoop is geworden?

En snappen we het voorbeeld van Habakuk? Eerst ziet hij het niet meer zitten. Dan bezint hij zich en kijkt weer naar God. Temidden van alle ontrouw roept hij het uit: maar een rechtvaardige zal léven

door zijn geloof. En Habakuk blijft God prijzen, ook daar waar de gevolgen van Gods oordeel gevoeld worden: al zal de vijgenboom niet bloeien en komt aan de wijnstokken geen gewas,

Willen wij God werkelijk dienen? En zien we de onontkoombaarheid van het oordeel? Raakt ons dat nog? Zet ons dat aan tot getuigen van God?

toch zal ik jubelen om de God die mij bevrijdt!