Preek zondag 13 januari 2019


“Bron van het zijnde, groot zijn Gij:

 

De psalmen hebben al zo’n drieduizend jaren in het hart gestaan van de eredienst. Allereerst natuurlijk in de tempeldienst van het volk Israël. En daarna in de kerken van het christendom. In de Nederlandse reformatorische traditie zijn er zelfs kerken die louter en alleen psalmen zingen in hun erediensten.

 

Wat is de reden achter de centrale plaats van deze oude zangen? Als er één reden is, is dat toch wel het feit dat ze over de Heer God gaan. Over JHWH die het centrum van der aanbidding is voor Joodse en christelijke gelovigen.

 

We lezen psalm 99, die gaat over God als eeuwige koning. De Onveranderlijke die regeert in een wereld die verder weinig vastigheid kent. Een psalm spreekt van de onwrikbare zekerheid van Gods bestaan. En over Gods onbegrijpelijke en soms schrikwekkende grootheid. Over zijn onbevattelijke en ontzaglijke schoonheid.

 

De psalm beschrijft Gods majesteit als van een aardse koning. Maar maakt absoluut duidelijk dat de grootheid en de heerlijkheid van de Koning der Koningen en de Heer der Heren daar ver bovenuit gaat.

 

De psalm laat  een onderverdeling in drieën zijn. Elk deel (vers 3, 5 en 9) eindigt met de acclamatie ‘Heilig is Hij.’

 

Vers 1 – 3

De psalm begint met het statement De Ene werd koning Dat houdt in dat er geen andere God is dan De Ene, en dat Hij en Hij alleen Koning is. Dat alleen Hij staat boven iedereen en alles. Dat geen enkele andere god op zoiets aanspraak kan maken. En de gelovigen die naar Hem opzien juichen Hem toe in zijn heerschappij. Daarmee Hem aanvaardend en bevestigend in zijn positie en grootheid. En daarmee ook aangevend dat alleen deze God het waard is om geloofd, aanvaard, gevolgd en aanbeden te worden.

De aanblik van zo een God is ook beangstigend. Daarom staat er ook (: 1): gemeenschappen sidderen;

God zetelt bij cheroeviem  God woont tussen de engelen die staan op het zuiver gouden deksel op de ark. En die engelen. Cherubs – kijken naar beneden terwijl hun vleugels boven hen het verzoendeksel bedekken. God troont zetelt daarboven, verheven boven alle manchappen in de hemel. De aanblik is voor sterfelijke mensen schrikwekkend. In een land als Nederland waar gelijkheid het ideaal is komt dit beeld ons wellicht wat onbegrijpelijk voor. Zo naar iemand opkijken, zo iemand aanbidden en in absoluut ontzag voor zo iemand buigen, dat ligt ons niet zo. En toch is dat het enige wat we kunnen doen. Hoe kunnen sterfelijke mensen bij zo iemand in de buurt komen? Want Heilig is Hij.

 

Vers 4 – 5

Op de vraag hierboven geven de verzen vijf en zes niet het antwoord. De schets van de eerdere verzen wordt vervolgd met De kracht van een koning is dat hij liefheeft het recht: gij hebt eerlijkheid gegrondvest!- recht en gerechtigheid in Jakob, gij hebt het gemaakt! Gods grootheid en heerlijkheid blijven ontzagwekkend. Niet voor niks was het de vraag in psalm 15  Ene, …., wie zal wonen op de bergtop van uw heiligdom? We kunnen ons slechts buigen voor de voetbank van zijn voeten, want Heilig is Hij.

 

Vers 6 –9

Maar dan kent de psalm een wending. Plotseling wordt er gesproken over priesters – Mozes, Aaron, Samuel – die tot God riepen en God antwoordde hen! God werd voor hen tot een Godheid die draagt. Zijn grootheid en heerlijkheid bleef even ontzagwekkend. Maar God verkoos het om de afstand met mensen van zijn kant te verkleinen. Te overbruggen. God komt dichtbij ons, nieuwtestamentische priesters. Tegelijk blijft onze verantwoordelijkheid om Zijn wil te doen. God ‘kastijdt die hij aanneemt’ zegt Hebreeën 12: 6. God woont nu midden tussen zijn kinderen. Onze plaats van aanbidding is niet geografisch, maar geestelijk. Onze lofzang op zijn grootheid, zijn majesteit, zijn oneindigheid en zijn schoonheid moet onafgebroken voortgaan. Dat is onze redelijke eredienst. Want Heilig is Hij.

 

eeuwig oneindig, en zo nabij.”

Trad, abdij van Orval