Preek zondag 6 januari 2019


brengt het gemeste kalf, slacht het en laten we eten en feestvieren,

Lukas 15: 23

 

Als er toch één ding duidelijk is in deze tijd van ‘gele hesjes’ is dat wel dat onze samenleving nogal wat onvrede bestaat. In navolging van Frankrijk protesteerden in december 2018 ook kleine groepen in gele hesjes. De betogers kwamen om verschillende redenen in actie: ze wilden verlaging van de accijnzen, een ander zorgstelsel, een strenger immigratiebeleid, verlaging van de pensioenleeftijd, een basisinkomen voor iedereen en het vertrek van premier Mark Rutte.

 

Wat bindt een samenleving (!) nog samen? Als we de barricaden opgaan voor ons eigen recht en gelijk, waarover hebben we het dan? Ten diepste praten we over uitsluiting van ‘de anderen.’ Wie praat over ‘recht’ en over ‘gelijk’, praat meestal niet over verzoening. Dan gaat het er eigenlijk nooit om hoe de mensen die onrecht doen en de mensen die onrecht wordt aangedaan weer bij elkaar kunnen komen.

 

De filosofe Hannah Ahrendt gruwde van een democratie die gebaseerd is op de macht van het getal. Op ‘de meeste stemmen gelden.’ Ze pleitte ervoor om aan minderheden en individuen een stem te geven. In dat verband merkte ze ooit op: “De grote uitvinding van Jezus is vergeving.”

 

In onze maatschappij is de kerk een van de laatste plaatsen waar mensen van verschillende sociale klassen en leeftijden samenkomen. Daar zit de bankier of advocaat nog naast de gepensioneerde of schoonmaker.

Wat bindt ons in de christelijke kerk? Ook daar hameren we op ons recht en willen we ons gelijk behalen. Maar wat is het doel van dat alles?

 

In Lukas 15: 11 – 32 worden ons drie figuren voorgesteld: een jongste zoon die niet wil deugen, een oudste zoon die juist ontzettend deugt en hun vader.

 

De jongste zoon verlaat het ouderlijk huis en eist zijn erfenis op terwijl zijn vader nog springlevend is. Een affront zonder weerga. Ver buiten alle normen en waarden. Maar de vader geeft ‘m  de erfenis. Die de zoon er vervolgens doorheen draait met alcohol en hoeren. Als hij volstrekt aan lagerwal zit en de dood voor ogen heeft gaat hij terug vaan zijn ouderlijk huis. Waar zijn vader ogenblikkelijk een feest organiseert en hem een ring geeft om aan te geven ‘jij bent mijn kind, een erfgenaam en een zoon van dit huis.’

 

De oudste zoon is een moreel hoogstaand persoon. Hij is hevig verontwaardigd over het uitbundige onthaal dat de vader voor ‘die zoon van u’ heeft georganiseerd: ‘Voor hem slacht u het vetste kalf! Terwijl hij uw geld heeft uitgegeven aan drank en hoeren.’

In moreel hoogstaand gedrag schuilt een groot risico. Er is een gerede kans dat je een tweedeling maakt tussen mensen die jouw moraal delen en alle tegenstanders van die moraal. Moreel hoogstaand gedrag kijkt vaak niet veder dan het aanwijzen van het kwaad en het veroordelen en straffen daarvan. Als je je vastklampt aan een hoog moreel ideaal zie je ogenblikkelijk overal tegenstanders. Maar wat ga je met die vijanden doen? Om een gemeenschap te vormen is er vergeving nodig, of zelfs het liefhebben van vijanden.

Zien we dat ook niet in de christelijke kerk? Ervaren we ‘de ander’ als een gave of wellicht toch meer als een opgave?

 

De vader spreekt zijn liefde uit naar beide zonen. Onverkort. En zonder enige voorwaarde vooraf. De vader haalt zijn gelijk niet. De vader hamert niet op zijn rechten. En als wij wel gelijkhebberig claimen, wat is dan ons doel daarmee? Wat schieten we er uiteindelijk mee op?

Het is in het leven onze christelijke opdracht om zonder veroordeling te omarmen en lief te hebben. Om via de weg van het verdriet, van de vergeving en van de edelmoedigheid (zie Henri Nouwen ‘Eindelijk thuis’) uiteindelijk zelf een vader te worden die kan zegenen en vergeven.

We hebben een vaderfiguur nodig. Iemand die ons als christenen allemaal bij elkaar wil hebben. Die tegen ons allemaal zegt: kom binnen, en vier feest!

 

maar we móesten feestvieren en verheugd zijn omdat deze broer van jou dood was en is herleefd, verloren was en is gevonden!

Lukas 15: 32