Preek zondag 16 december 2018


Ver van de troon der tronen en ’s hemels zonneschijn

 

De uitdrukking ‘God wil bij mensen wonen’kom je in letterlijke en zeker qua strekking nogal eens tegen in de Bijbel.

In het scheppingsverhaal al, om te beginnen. God schept (op de zesde dag) de mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen……God beziet al wat hij heeft gemaakt en zie, zéér goed! Dat woord zéér staat alleen bij de zesde dag. God had kennelijk ontzettend veel plezier in de man-en-vrouw die Hij had geschapen. Psalm 8 zegt dat zo: Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God,

 

Waarom schiep de almachtige God, die van niets en niemand afhankelijk is, toch de mannelijke en vrouwelijke mens? Zou het niet zijn omdat God een God van relatie is? Omdat God liefde is? En omdat liefde eerder een kenmerk is van een relatie dan een kenmerk van een persoon in zichzelf?

 

Die bijna goddelijkemens wilde van dat bijnaaf en overtrad Gods verbod van het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Ogenblikkelijk beseften Adam en Eva hun grote fout en ze verstopten zich voor God. Maar God neemt geen afscheid van de mensen. In tegendeel. God roept tot de mens en zegt tot hem: waar ben je? Vanaf dat moment kon God echter alleen nog maar bij mensen wonen als er een offer was gebracht. Voor Adam en Eva maakte God kleren van huiden (er waren dus dieren geofferd tot dat doel) en bekleedde hen daarmee.

 

Vervolgens gaf God wetten en regels aan de mens. En ook daar waren offers nodig: de regels werden constant overtreden (Rom. 3: 18: ‘Vreze voor God staat hun niet voor ogen’ (Ps. 36,2)!

 

God liet zijn volk Israël een tabernakel (soort mobiele tempel) bouwen. Ex. 25: 8: Maken zullen zij voor mij een heiligdom: wonen zal ik in hun midden; Dat God daar woonde was zichtbaar doordat er een Wolk boven de tabernakel hing. Als de Wolk opsteeg trok het volk verder. En anders braken ze hun kampement niet op.

 

Aangekomen in het beloofde land bouwde Israël (koning Salomo was de bouwer) een tempel voor God, in Jeruzalem. En God spreekt (1 Kon. 6: 13): en wonen zal ik bij de zonen en dochters van Israël,- en mijn gemeente Israël niet verlaten! Maar daar ging wel een voorwaarde aan vooraf: als je voortgaat met mijn wetten, en mijn rechtsregels doet en al mijn geboden zult bewaren door daarmee voort te gaan,

 

Gods geboden – ze zijn ten goede voor de mens – moeten worden nageleefd. Nog steeds. En de Wolk – Gods glorie – laat zich zien. Zie 2 Kron. 5: 13: de glorie van de Ene vervult het huis van God. Maar Israël verviel tot afgodendienst. De tempel van Salomo werd verwoest. Door Nebukadnezar. En de tweede tempel – die van Herodes – had geen Ark van het Verbond en dus ook geen Wolk.

 

Maar God wilde bij de mensen wonen. Maria krijgt de boodschap (Luk. 1: 35): kracht van de Allerhoogste zal je overschaduwen; Als een Wolk! Mattheus zegt het als volgt (1: 23): zie, de maagd zal het in de schoot krijgen en een zoon voortbrengen, en als zijn naam zullen ze uitroepen ‘Immanoeël’ (Jes. 7,14); vertaald is dat: met ons is God! God is met ons! Hij woont bij ons. Jezus is God zelf. Hij wordt als pasgeboren baby aanbeden door engelen en herders. God is altijd bij ons (Matth. 28: 20): zie, ík ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding van de wereldtijd! God beloofde dat aan Mozes. Aan Jozua. En ook aan ons.

God noemt ons, zijn gemeente, ‘zijn huisgenoten’ (Ef. 2: 20). In Zijn gemeente wonen ‘we samen met alle heiligen, …..om vervuld te worden tot aan heel de volheid van God.’ De Heer Jezus wil ons bij zich hebben, getuige Joh. 17: 24: het is mijn wil dat waar ík ben ook zíj wezen mogen, mét mij,

 

Aan het einde der tijden (Op. 21: 3, 4): zal God alle tranen afwissen en zullen wij bij God wonen: de tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn gemeenten zijn en God zelf zal bij hen zijn;

 

Wat een eindeloze troost. God die zijn volk nooit alleen laat. Die zijn gemeente altijd in de armen sluit. Die ‘nooit laat varen het werk van Zijn handen.’ Die bij ons wil wonen. Die Liefde is en met ons een onverbrekelijke relatie aangaat. “Komt laten wij aanbidden die Koning!”

 

wilt Ge onder mensen wonen, der mensen broeder zijn.

                                                                                                                                                      LvdK 1973, 117 (3)