Preek zondag 9 december 2018


Dan zegt Mozes: laat mij toch uw glorie zien!

                                                                                                                                                                                        Ex. 33: 18

 

De evangelist Johannes schrijft zijn gelijknamige evangelie vanuit een compleet andere invalshoek dan de drie andere evangelisten.  Het gaat hem om de glorie, de heerlijkheid van de Heer Jezus. Zijn onmetelijke grootheid en majesteit.

 

Mattheusschrijft voor de Joodse bewoners van Israël. Hij citeert in zijn evangelie veelvuldig uit het Oude Testament en benadrukt de vervulling van de Schriften. Hij laat Jezus zien als ‘de leeuw van Juda’ en als ‘de Koning der Joden.’

Marcusschreef veeleer voor een Romeins publiek. Hij laat zaken weg die vooral voor Joodse lezers belangrijk zijn (genealogieën, de controverses tussen Christus en de Joodse leiders in zijn tijd). Marcus benadrukt Christus als de lijdende dienaar, degene die niet kwam om gediend te worden, maar om zelf te dienen en om zijn leven ‘voor velen als losgeld te geven’(Marcus 10:45). Markus beschrijft Jezus als ‘een knecht’ die de wil van de Vader komt doen.

Lucasschrijft veel over ‘de mens Jezus.’ Hij richt zich ook tot mensen die niet primair Joden zijn, met name tot Grieken. Het is de bedoeling van Lucas om aan te tonen dat het geloof van een christen gebaseerd is op historisch betrouwbare en verifieerbare gebeurtenissen.

 

Johannesschrijft als gezegd over de heerlijkheid van de Heer Jezus. Johannes wil niemand anders ten tonele voeren dan ‘Jezus alleen.’ Het evangelie van Johannes benadrukt de Godheid van Christus, zoals we zien in bepaalde zinsneden als ‘het Woord was God’ (Johannes 1:1), de ‘Redder van de Wereld’ (Johannes 4:42), de ‘Zoon van God’ (herhaaldelijk) en ‘Heer en…God’ (Johannes 20:28). In het evangelie van Johannes bevestigt Jezus tevens Zijn Godheid met diverse ‘Ik ben’ uitspraken (6: 35; 8: 12; 10: 7; 10: 14; 11: 25; 14: 6; 15: 1. Het meest opvallend is dat in Johannes 8:58, waarin hij zegt: “van voordat Abraham werd geboren, ben Ik” (vergelijk Exodus 3:13-14).

 

We lezen samen uit het evangelie van Johannes over 1) het optreden van Johannes de Doper en 2) de roeping van de eerste discipelen, Johannes 1: 19 – 46.

 

In zijn evangelie begint Johannes niet met de geboorte van Jezus of met het begin van zijn bediening. Johannes start met de activiteit en de eigenschappen van de Zoon van God vóórdat Hij mens werd (Johannes 1:14). De eerste woorden van Johannes brengen ons direct bij de eerste woorden van Genesis. In het begin schiep God(Elohim, meervoud) de hemel en de aarde. In zes scheppingsdagen. En dan niet door evolutie. Maar door het Woord(= Gods Zoon), dat bij God was en zelf God was(Joh. 1: 1 – 3.) En de derde Persoon in de Godheid, de Heilige Geest, zweefde over de wateren. Johannes brengt zo met genesis de drie-ene God ter sprake, die dan zegt ‘laat ons(opnieuw meervoud!) mensen maken.’

 

Johannes schrijft zijn evangelie voor alle gelovige christenen. En hij schrijft als zijn kernboodschap dat Jezus de Zoon van God is. Dat Jezus met alle macht en kracht is bekleed. Johannes schrijft daarom ook niet over de drie uren van duisternis. Of over Gethsemané. En ook komt het ‘mijn God, mijn God, waarom hebt u Mij verlaten’niet voor. In Johannes gaat het om de grootheid, de volmaaktheid en de stralende heerlijkheid van de Zoon van God.

 

Johannes de Doper predikt in de woestijn een doop van bekering tot vergeving van zonden. En zonder social media loopt heel het Judese land plus de inwoners van Jeruzalem naar hem uit. Dan komen er mensen – Farizeeën – naar hem toe. Ze willen wel eens weten wie die Johannes eigenlijk is. Farizeeën laten zich erop voorstaan dat ze afstammelingen van Abraham zijn. Meer geestelijke status kan een Jood zich eigenlijk niet verwerven. Johannes schuift dat compleet aan de kant. Het gaat niet om hem – Johannes – zelf, en ook niet om de Farizeeërs. Want, zegt Johannes, er is iemand hier die u niet kent. En die persoon komt wel namij, maar hij was er al eeuwen voormij. En die persoon moet aan Israël geopenbaard worden. Daarom sta ik hier te preken en daarom doop ik. Hij is de Zoon van God.

 

De Zoon van God. Die werd geboren als een klein kindje. In hoogst nederige en armelijke omstandigheden. Die drie jaar goeddoend en genezend door Israël trok. Die zich vrijwillig – want onschuldig – aan een kruis liet spijkeren. Omdat hij het lam van God was.  Het lam dat de zonde van de wereld droeg en wegdeed. Uit een absolute, volmaakte liefde. Die al onze angsten van ons afnam en tot de zijne maakte. En zo bang werd dat hij bloed zweette. Die al onze pijn tot zijn eigen pijn maakte. En gruwelijk leed.

 

Zijn schitterend geweven onderkleed werd hem afgenomen. Naakt hangt hij aan het kruis. ‘Hangt ten spot van snode smaders.’ Naakt. Opdat wij in onze naaktheid met Christus – ons tehuis uit de hemel– overkleed zouden worden.

En Christus is doodsbang aan het kruis. God zelf is hij. En God is licht; God kent geen duisternis. En toch zou Christus drie uur in de absolute duisternis verkeren. Zou hij afdalen in de diepste diepte  – in de hel – waar nog nooit een mens was geweest. Eindeloze liefde. A love Supreme.

 

Wij zij discipelen van Christus. Discipelen worden door drie dingen gekenmerkt:

  • Ze volgen hun meester
  • Ze vertellen oven hun meester
  • Ze brengen anderen bij hun meester

 

Jezus volgen

Twee van de discipelen van Johannes besluiten Jezus te volgen. Jezus vraagt hen ‘waarmee kan ik jullie helpen?’ Ze vragen hem ‘Meester, waar woont U?’ Ze wilden daar wezen waar Jezus was. En hoe ontzettend belangrijk dat voor hen was blijkt wel uit de opmerkelijke toevoeging dat dat gebeurde ‘op ongeveer het tiende uur.’ Zo een gebeurtenis blijft je je leven bij.

Jezus volgen is dichtbij hem zijn. Zijn onderwijs betrachten. Met hem meewandelen, zoals ooit de Emmaüsgangers. Want Jezus spreekt Gods woorden. Hij is de ware profeet. De mond van God zelf. Dat is iets waartoe ook wij worden opgeroepen (1 Kor. 14: 39a): Dus, broeders-en-zusters van mij, beijvert u in het profeteren.

 

Van Jezus vertellen

Als discipelen van Jezus hebben we een intieme relatie, een nauwe band met hem. Als volgelingen willen we anderen vertellen van zijn liefde, zijn genade en zijn barmhartigheid. Willen we op anderen overdragen dat God van mensen houdt zoals een moeder houdt van haar nog ongeboren kindje in de baarmoeder. Zoals een moeder haar kind koestert dat ze de borst geeft.

En we vertellen dat niet uit een vorm van hoogmoedigheid, van trots over wat we toch maar mooi zelf hebben ontdekt. Maar we geven dat door dat als een bedelaar, die andere bedelaars vertelt waar hijzelf brood gevonden heeft.

 

Anderen bij Jezus brengen

Dan komt Andreas. Hij is een man die wat in de schaduw leeft. Bij zijn broer Simon valt hij nogal in het niet. Maar Andreas is het wel die – als discipel van Johannes de Doper –  Jezus ontmoette. En in hem Christus herkende! Ogenblikkelijk volgt hij Jezus. Als hij zijn broer Simon ontmoet is het eerste wat hij zegt we hebben de Messias gevonden!- vertaald is dat: Gezalfde, Hij voert hem mee naar Jezus.

 

Het is later ook Andreas die het jongetje met de vijf broden en de twee vissen ziet. Joh. 6: 8, 9: Een uit de kring van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zegt tot hem: er is een jochie hier,- dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft;

Hoeveel oog hebben wij voor de medemens-in-nood? Voor de mensen die Jezus nodig hebben?

 

In de eerst helft van de vorige eeuw was er een jong meisje dat een betrekking had bij een gegoede familie. Ze droeg de verantwoordelijkheid voor de huishouding. Als ze buiten de ramen waste placht ze altijd een vrolijk wijsje te fluiten. Jaren later, toen ze zelf hoog en breed getrouwd was, sprak een vrouw haar aan. ‘Door jou ben ik gaan geloven in Jezus’zei die. Op de verbaasde blijk van de fluitster voegde ze toe: ‘Jij floot altijd ‘Veilig in Jezus armen.’ Toen ging ik me afvragen of ik die veiligheid wel had. En kwam zo bij Jezus uit.’

 

Als wij vol zijn van Gods liefde straalt dat van ons af. Dan gaan we als vanzelf fluiten.

 

 

wij hebben zijn glorie aanschouwd, 
een glorie van een eniggeborene van bij een Vader,
vol van genade en waarheid.

                                                                                                                                                                                    Joh. 1: 14