Preek zondag 25 november 2018


Wanneer je oversteekt door het water ben ik bij je,

 

Het lied ‘Amazing Grace’bezingt Gods genade (‘grace’). Het tweede couplet – in de Nederlandse vertaling van Elly Zuiderveld-Nieman – luidt:

Genade, zo oneindig groot,
dat ik, die’t niet verdien,
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ’k zien.

Genade die mij heeft geleerd
te vrezen voor het kwaad
maar ook –als ik mij tot Hem keer-
dat God mij nooit verlaat

Vrezen voor het kwaad. Het Bijbelboek Daniel heeft in onze tijd een grote actualiteit. Het is niet slechts een verhaal over een afgesloten geschiedkundige periode. De situatie die in het boek Daniel wordt geschetst zou voor ons christenen in het Nederland van 2018 wel eens heel herkenbaar kunnen zijn.

Het ligt nogal voor de hand. Daniël is een gelovige man in een ongelovige omgeving. En hij is trouw aan God, in die omgeving. En God helpt hem uit alle problemen. Nou, wat wil je dan nog meer? Doe als Daniël en het zal je goed gaan.

Koning Nebukadnezar van Babel belegerde Jeruzalem, waar koning Jojakim aan de macht was en nam de stad in.  De bovenlaag van de Judese bevolking – uit het koninklijk geslacht en uit de edelen – werd als balling afgevoerd naar Babel.

Babel staat gelijk aan het rijk van het kwaad, van de duisternis. En Daniel is zich daar zeer van bewust (Dan. 1: 8): Maar Daniël bindt zichzelf op het hart dat hij zich niet zal besmeuren met het beste eten van de koning en met de wijn die hij zelf drinkt,- en verzoekt aan de vorst der hovelingen dat hij zich daarmee niet hoeft te besmeuren. Daniel is heel zeker van zijn zaak. En God maakt dat ook het hoofd van de hovelingen instemt met Daniel’s keuze.

Daniel leeft vanuit Gods genade. Genade die (Joh. 1: 14) vlees-en-bloed geworden is en bij ons zijn tent heeft opgeslagen; wij hebben zijn glorie aanschouwd, een glorie van een eniggeborene van bij een Vader,- genade die de Hebreeën-brief als volgt benoemt (Hebr. 12: 28): Laten wij daarom, nu wij een onwankelbaar koninkrijk mogen aannemen, dankbaar de genade vasthouden waardoor wij God op welbehaaglijke wijze vereren, met schroom en huiver.

 

Die genade was er al vanaf alle eeuwigheid. Zij is nu openbaar geworden, heilbrengend voor alle mensen. Het is die genade die ons aanzet en bekwaam maakt tot het maken van de juiste keuzes. En tot het doen van goede werken, die God behagen. Wij moeten iets met de genade doen. Iets actiefs. Noach moest een ark bouwen. De verlamde man moest het badwater van Siloam in. En ook wij zijn geroepen om goede werken te verrichten; dat is onze opdracht.

Daniel was ver van zijn vaderland. Hij moest zich de taal van de Chaldeeën eigen maken. En hij werd bestuurder in hun rijk. Ongetwijfeld miste hij zijn thuisland.

Zouden wij de standvastigheid van Daniel gehad hebben? Zouden wij ook hebben gekozen om ons niet te verontreinigen? Zoals ook Jozef in Egypte deed?

Daniel bouwde op zijn rotsvast geloof. Hij geloofde niet simpelweg in God: ook de demonen geloven dat en zij sidderen(Jak. 2: 19)! Wij bouwen op Jezus die zijn leven voor ons gaf. Daardoor bracht Hij genade voor allen. Als wij Gods Persoon vast in ons hart sluiten zijn wij veilig voor tijd en eeuwigheid. Want (Joh. 8: 52) als iemand mijn woord bewaart zal hij geen dood aanschouwen tot in de eeuwigheid!

 

wanneer je moet gaan door een vuur zul je niet worden verschroeid