Preek zondag 18 november 2018


Heer, onze heer, hoe heerlijk en verheven

hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven.

 

Een klassieke vraag is “wie ben ik eigenlijk.” Er zijn televisieprogramma’s die van bekende Nederlanders uitpluizen wie hun – al dan niet beroemde –  voorvaderen waren. Andere mensen – carrièretijgers bijvoorbeeld – ontlenen hun identiteit graag aan hun indrukwekkende visitekaartjes. En weer anderen pronken met hun paspoort en de vermeldingen daarin. Er zijn heel wat persoonlijkheidsmodellen op de markt die inzicht geven in je karaktertrekken en eigenschappen.

 

Maar vinden we zo het antwoord dat we echt willen hebben? Voor ons als christenen is de vraag toch eerder “wat zegt de bijbel daarover?” Hoe kijkt God naar ons? We lezen psalm 8.

 

2Ene, onze Heer, hoe machtig uw naam op aarde overal, die uw glans uitstalt tegen de hemel! 3Uit de mond van kinderen en zuigelingen grondvestte gij kracht om wie u benauwen, om tot rust te dwingen vijand en wraakzuchtige. 4Zie ik uw hemelen, door uw vingers gemaakt, maan en sterren die gij hebt gegrondvest, 5wat dan een mensje dat gij hem gedenkt, de mensenzoon dat gij hem bezoekt? 6Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God, met glorie en luister wilt gij hem kronen. 7Ge laat hem heersen over de maaksels van uw handen, alles hebt ge gezet onder zijn voeten: 8wolvee, runderen, zij alle, en ook de beesten op de velden; 9de vogels van de hemel en de vissen in de zee, wat trekt langs de paden van de zeeën. 10O Ene, onze Heer, hoe machtig uw naam op aarde overal!

 

In de vers 2 lezen we dat Gods grootheid geen begrenzing kent. Gods majesteit en heerlijkheid gaat elk menselijk voorstellingsvermogen te boven. Met psalm 19: de hemelen verhalen de glorie van God, en het gewelf meldt wat zijn handen maken; God is de eeuwige. Hij spreekt Zijn wil, en het geschiedt. Zo formeert Hij de mens (Gen. 2). Gods naam was en is anders dan welke naam van welke (zogenaamde) god dan ook. Deze onuitgesproken naam omvat alle grootheid en heerlijkheid in het onmetelijke heelal.

In vers 3 staat een op het eerste gezicht wat dwaze aanduiding en verdediging van die naam. Kleine kinderen en zelfs zuigelingen prijzen God al met hun mond. Al kunnen ze nog geen woord uitspreken, toch wordt God door die kinderen geëerd. Al zullen er vele godslasteraars en god-ontkenners opstaan, de lof van onmondige zuigelingen gaat al de eeuwen door en prijst Gods almacht en eindeloosheid.  We hoeven Gods majesteit niet te verdedigen. Zuigelingen prijzen Hem altijd en onophoudelijk: hoe machtig uw naam op aarde overal!

 

En ook in Zijn schepping wordt God geëerd en geprezen. Zon, maan en miljarden sterren getuigen van Zijn onmetelijke majesteit. En het maken van dat alles was voor God een peulenschilletje: Hij deed het simpelweg met zijn vingers. Het kostte Hem niet de minste moeite!

 

Wanner je dan kijkt naar ons mensen moet de conclusie wel zijn dat we compleet in het niets verdwijnen bij zoveel glans en glorie. Dan leggen wij – een mensje– toch niet het minste gewicht in de schaal?

 

Maar daar denkt God zelf kennelijk anders over. In Genesis 1: 27 staan de onbegrijpelijke woorden al: God schept de mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen. Even onbegrijpelijk – maar wel precies in het verlengde daarvan! – zijn de woorden van psalm 8: Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God. Niets en niemand anders dan de mens heeft die positie in het hele heelal. Gods glorie wordt in en door ons mensen weerspiegelt. Zoals de maan het licht van de zon ook stralend weerkaatst.

 

Die plaats van Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God, geeft ons ook onze verantwoordelijkheid aan. Wie zo een positie waardig gekeurd wordt, zal zich ook op een manier moeten gedragen die met die positie in overeenstemming is. Onze positie is daarmee die van vertegenwoordiger van God, onze schepper, op aarde. Van gezant, van ambassadeur. Wij behartigen de belangen van onze God en Schepper. Dat is onze opdracht. Daartoe zijn wij afgevaardigd op deze aarde.

 

God geeft ons een plaats naast Hem die dichter bij Hem komt dan wij we ons kunnen voorstellen. Weinig ontbreekt ons, of we zijn God. In die positie ligt onze verantwoordelijkheid. Onze opdracht. Wij moeten God laten zien – weerspiegelen – op deze aarde en in deze wereld. Daartoe bestaan wij. Dat is onze ultieme roeping.

 

Heer, onze God, hoe vol van majesteit
hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid.