Preek zondag 11 november 2018


wezen zal ik hun tot God,

 

De aanhef van psalm 23 is wereldberoemd: “De Ene is mijn herder, mij zal niets ontbreken;” Maar in de weerbarstige werkelijkheid van alledag: wie ervaart en beleeft zo een ultiem persoonlijke toewijding aan God alleen? Want “niets is niet veel,” zoals een gezegde wil.

 

We zoeken het antwoord in psalm 22. Eén van de messiaanse psalmen. Psalmen vinden we terug in het Oude Testament, maar ze kunnen nieuwtestamentisch worden uitgelegd en gebeden. Luther schrijft dat de psalmen ‘Christum treiben’: ze hebben het over Christus. Er is aan de ene kant dus een letterlijke betekenis van de psalm: hij gaat in directe zin over menselijke gevoelens van pijn en hoop, van ellende en vertrouwen. Maar de psalmen zijn ook het gebed van ‘de volle Christus’; elke psalm die in de ik-vorm staat kun je in de mond van Christus leggen. Dat is dan de andere, de tweede kant.

 

En zo lezen we ook psalm 22. De tekst geeft Davids gevoelens en ervaringen weer. Maar, aangestuurd door de heilige Geest, heeft psalm 22 het ook over de gevoelens van Jezus.

 

De opening maakt dat laatste meteen al duidelijk. Mijn God, mijn God, waarom hebt ge mij verlaten, Geschreven door David, in wanhoop. Duizend jaar voordat Jezus aan het kruis stierf. Wij, terugkijkend, voelen diep mee met de gevoelens van David zowel als met het peilloze lijden van de Heer Jezus. Gevoelens die ook de onze kunnen zijn. Want ook ons kan het zomaar gebeuren dat we ons van God gescheiden achten. Dat we ons eindeloos verlaten en alleen voelen. Een ervaring die erger is dan wat dan ook. Elk perspectief op de toekomst ontbreekt dan. De toekomst is inktzwart.

 

En toch breekt dan een sprankje licht door. De eerste klacht (”Waarom?”) gaat over in een constatering: bij u wisten onze vaderen zich veilig zegt David. Ze vonden God daar waar Israël u looft. Lofzangen in de verdrukking – tegen de verdrukking in – brachten redding Gij deedt hen ontkomen; tot u schreeuwden zij en vonden ontkoming, zochten veiligheid bij u, werden niet beschaamd. Een sprankje hoop voor David? David schetst zijn toestand als  ik, – een worm[1], niets mans meer.

 

David roept uit dat hij omringd wordt door troepen varren; dat Basans buffels hem insluiten. Zo waren het de oversten van het volk Israël en de schriftgeleerden die de Heer Jezus te na kwamen. En als David schrijft: omringd ben ik door honden, kwaadwilligen hebben met z’n allen mij omsingeld, doorstoken mijn handen en mijn voeten, dan herinneren we ons de joden en heidenen die de Heer, hangend aan het kruis, bespotten en aan de soldaten die een speer in zijn zijde staken. En de passage onder elkaar verdelen zij mijn gewaden,- over mijn kleding werpen zij het lot! gaat als profetie volmaakt letterlijk in vervulling (Mt. 27: 35).

 

En dan keert de psalm om in vers 23: Vertellen zal ik uw naam aan mijn broeders, in de vergaderde schare zal ik u loven: de belangrijkste boodschap ooit ter wereld. God is er, en zorgt altijd voor ons. Want hij heeft niet veracht en niet versmaad de gebogenheid van een gebukte, …..; toen hij tot hem riep om hulp heeft hij gehoord. Wie de Heer zoeken, zullen hem loven. Als je je hart opent voor God komt Hij dichter bij je dan je voor mogelijk houdt. Dan wordt zijn erbarming ten volle opgewekt. Dan gaat Hij zich over jou ontfermen. Eens eten gebukten en worden zij verzadigd, loven de Ene zij die hem zoeken, leeft hun hart op voor altijd!

 

Tot slot doet David de deur naar de toekomst open. Ooit zal Christus voor altijd koning zijn over de hele aarde. Dan hebben gegeten en buigen voor hem alle vetten der aarde, knielen voor zijn aanschijn al wie moesten dalen in het stof,- en wie zijn ziel niet in leven wist te houden. Vrijwillig of gedwongen: Christus krijgt van iedereen alle eer! En wij zullen bij Hem horen.

 

En dan zullen we van binnenuit kunnen bevestigen: “De Ene is mijn herder, mij zal niets ontbreken;

 

en zij zullen mij worden tot gemeente;

Jer. 31: 33
[1]Met ‘worm’ wordt wellicht een insect aangeduid, de coccus ilicis. De vrouwtjes hebben geen vleugels of poten; ze zijn permanent aan een plant vastgehecht. Als het insect (luis) eitjes legt, beschermt ze die met haar lichaam tot de dood toe. Ze scheidt de natuurlijke rode kleurstof karmijn af. Een prachtige illustratie van het offer dat Jezus zou brengen voor de mensheid.