Preek zondag 21 oktober 2018


Nooit trekt hij van de rechtvaardige zijn ogen af,

 

Definitie

Het begrip ‘identiteit’ kent heel veel definities en omschrijvingen. Als het gaat om personen lees je vaak over ‘dat wat eigen is aan een persoon.’  Het gaat om je – eigen – karakter en je persoonskenmerken. Het heeft gewoonlijk betrekking op het beeld dat mensen van je hebben en de overeenkomst van dat beeld met het beeld dat je van jezelf hebt – of zou willen hebben. Als iemand vertrouwd is met zichzelf, zien we dat als een positieve identificatie. Het tegendeel ervaren we vaak als negatief, als vervreemding. Een klassiek voorbeeld daarvan lezen we in een zinnetje als ‘hij heeft geen eigen identiteit; hij doet altijd precies wat anderen doen.’ Iemand omschreef zijn baas eens als “hij heeft geen identiteit; hij meet zich er per keer een aan!”

 

Wie ben ik?

Wij allemaal – jong en oud – hebben nogal eens de neiging om te vergeten wie of wat we zijn. En als christenen kunnen we zelfs gemakkelijk vergeten wie of wat we zijn in Christus. Dan lopen we twee kwade kansen. Aan de ene kant kunnen we aan eindeloze zelftwijfel (“ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?”) ten onder gaan. Of we sneuvelen in even eindeloze zelfoverschatting. Waarin we menen alles zelf wel te kunnen fiksen. We kennen allemaal de wonderbaarlijk fantastische – maar gelogen! – verhalen van de baron van Münchhausen. Die zich bijvoorbeeld aan zijn eigen haren (of aan de stroppen (=lussen) van zijn laarzen) uit het moeras kon trekken. Soms ontmoet je christenen die je daar wel eens aan doen denken………

 

Genotzoekers

We kennen vast wel de opmerking “huisje-boompje-beestje” als antwoord op de vraag hoe je je leven voor je ziet. In onze dagen doet de parallel “drankje-reisje-feestje” opgeld. Want “beter een dag te vroeg in de kist dan een feestje gemist.” Wie over de misstanden bij sommige studentencorpora leest zal dat beslist herkennen.

Gaat in ons allemaal niet een genotzoeker schuil? Iemand die vindt dat hij eigenlijk gemakkelijk en zorgeloos zou moeten kunnen leven, terwijl hij zijn primaire driften volgt? Want wat moet een mens nu met zorgen, ziekte, geldproblemen en andere tegenslagen?

In de befaamde piramide van Maslow streven wij mensen uiteindelijk allemaal naar zelfverwerkelijking. Naar de situatie waarin we onze persoonlijkheid met zijn mentale groeimogelijkheden helemaal weten te ontwikkelen. Deze visie (overigens door velen bekritiseerd) is gebaseerd op een groot geloof in de mens die zichzelf aan de haren uit het moeras kan trekken.

 

Zwartkijkers

Wij mensen hebben aan de andere kant een naar het soms lijkt een ingeboren neiging tot zwartgalligheid. Tot een houding waarin niks – van onszelf noch van de ander – deugt. Een houding van ‘het ergste moet nog komen.’  Van ‘het lijkt heel wat maar vergis je niet, het valt vast tegen.’ Van ‘als je er niks van verwacht kan het ook niet tegenvallen.

 

Christenen moeten zich er altijd van bewust zijn dat ze ‘geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis;‘ want ‘mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen. Elk mens op aarde vandaag de dag heeft iets van dat ‘beelddrager-van-God’ zijn. Elke mens is daarmee in aanleg in staat tot meevoelen met, tot compassie en liefde voor de ander.

 

Maar die mens faalde al direct bij het begin. Het gebod van God – niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad – sloeg de mens van meet af aan in de wind. En meteen zagen Adam en Eva dat ze naakt waren. De mens was geschapen voor transparantie. Voor openheid en voor de relatie met God en voor gemeenschap met elkaar. Maar dat ging toen helemaal over. We verstopten ons voor elkaar en voor God. En voor onszelf.

 

God haalde de mens uit Eden. Om erger te voorkomen. Stel dat de mens ook nog zou zijn gaan eten van de boom des levens. En dus onsterfelijk lang ongelukkig geworden zou zijn. De ramp zou niet te overzien geweest zijn.

 

Sindsdien zitten we met vragen als ‘mag dat wel?’ ‘Is dat wel goed?’ De mens heeft nog steeds de behoefte om gezien, gekend en gewaardeerd worden. En aan de andere kant verstoppen we ons voor onszelf en elkaar. We klagen de ander aan en/of voelen ons door die ander aangeklaagd. De opper-aanklager, de duivel, verslaat zijn duizenden. Voeden wij christenen ons nog wel werkelijk met Christus? De ware boom van het leven?

 

Laten we eens kijken naar de drie grote offers in het Oude Testament. Van alle drie offers wordt gezegd dat ze een aangename geur zijn voor God.

  • Het brandoffer is een offer voor God en voor Hem alleen. Het weerspiegelt de vrijwillige overgave van Christus aan God. Christus bewijst daarin alle eer aan God en verheerlijkt Hem.
  • Het zondoffer is de eerst behoefte van ons mensen. Iemand – Christus, hij alleen – die onze zonden op zich neemt. In onze plaats treedt. God die een lijdende God verkiest te zijn.
  • Tussen die beide offers in staat het dank- of vredeoffer. Een offer waarvan naast de priesters ook het volk mocht eten (Lev. 9: 18). En dat dankoffer was niet los verkrijgbaar. Het lag op het brandoffer (Lev. 3: 5).

 

Romeinen 6 zegt het helder: Christus stierf, en door in hem te geloven stierven wij met Hem. Of is het u onbekend dat wij allen die in Christus Jezus zijn gedompeld, in zijn dood gedompeld zijn? Dus zijn wij met hem begraven door de dompeling in de dood, opdat zoals Christus uit de doden is opgewekt, door de glorie van de Vader, zo ook wíj in vernieuwing van leven zullen wandelen.

 

Want ‘Het Is Volbracht!’ klinkt door alle eeuwen heen. Het geldt voor eeuwig. En wij, mensen die geloven in Christus, leven nu op aarde als beelddragers van Christus. Wij vertegenwoordigen hem en weerspiegelen Hem.

 

Leven in gebrokenheid

Waar halen wij christenen vandaag de dag onze identiteit vandaan?

  • Uit een gebroken en negatief beeld van onszelf? Onzekerheid, emotie eten, angsten, controle willen hebben, perfectionisme, niet voor jezelf durven opkomen, “ben ik wel goed genoeg”, of misschien boosheid als afweermechanisme (om je gebrek aan zelfvertrouwen te maskeren).
  • Uit onze eigen verdiensten? Uit onze carrière, onze bankrekening, onze auto, onze (sport)prestaties? Ons perfecte huwelijk?
  • Of zoeken en vinden we onze identiteit in Christus? Weten we en geloven we echt dat we door Christus geliefd zijn, gewild zijn en bedoeld zijn zoals we zijn?

 

Naar welke innerlijke stem luisteren we:

  • De stem die zegt ‘wat heb je nou weer fout gedaan?’
  • ‘Waar heb ik gefaald?’

 

Of de stem die ons vertelt:

  • ‘Zie niet angstig rond; Ik ben je God!’
  • Dank u God, want ‘U ziet mij nu in Christus aan’

 

Ik word door God gezien en geliefd Ik ben naakt en verstop me
Vrucht van de Geest Jaloers
Relatie Schuld
Vergeving Wrok
Vrede Negatief zelfbeeld
Blij met de ander Bang
Positief Eigen ontplooiing

 

Onze identiteit ligt vast in Christus. Kenmerkende woorden zijn: Rein. Volmaakt. Heilig. Rechtvaardig. Veilig. Geliefd. Overwinnaar.

 

Stef Bos schreef het prachtig in zijn lied ‘Dun ijs:’ Waar ga je heen/Wie wijst de weg/Wie wil jij zijn/Waar ligt de grens/Waarheen gaat de reis/Wie betaalt de prijs/Je danst op dun ijs.

 

Stef Bos heeft het over iemand die hij langzamerhand ziet verdwijnen. Maar wij christenen zijn onderweg als pelgrims/vinden bij elkaar houvast/met elkaar, als broers en zusters/dragen wij elkanders last.

 

Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Onze identiteit ligt vast in Hem. Door samen met Hem het leven te leven vinden we stap voor stap de identiteit waarmee God ons heeft geschapen.

 

bij koningen op de troon,- doet hij hen zitten voor immer, hij steekt hen in de hoogte.

Job 36: 7