Preek zondag 16 september 2018


Met de tong zegenen we de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis geschapen zijn;

 

God boetseerde de mens uit stof van de aarde en blies vervolgens hemelse lucht in zijn longen. En God wil met die mens – man en vrouw schiep hij hen – een relatie. Als die mensen en hun nakomelingen allesverstjeren, stuurt God zijn Zoon als ultimum remedium. In Christus kunnen wij mensen nu weer bij God komen.

 

Is er dan nu wel een mens op aarde die helemaal leeft zoals God het bedoeld heeft? Een mens die zijn driften weet te beheersen en altijd weloverwogen als christen door het leven gaat? Een mens die tot het hart van de personen om hem heen weet door te dringen? Een mens die van geven en vergeven weet, en altijd zonder wrok of achterbaksheid reageert?

Van de schrijver J.B. Charles is de volgende zin: “Er leeft namelijk een verkeerd ventje in de mens, een oude Adam, een rotzakje.”[1]

 

Als wij onszelf een beetje kennen zullen we in die zinsnede wel iets herkennen. Het rotzakje in ons steekt nogal eens de kop op. We zouden in de christelijke theorie wellicht door liefde aangestuurd willen worden, maar in de praktijk van alledag zijn het nogal eens onze oude driften die het gedrag bepalen. Weinig christelijks aan. Hoe houden we Gods geboden? En wat is eigenlijk het belangrijkste gebod?

 

Die laatste vraag staat in Mattheus 22.  En Jezus beantwoord die vraag als volgt:

37Hij verklaart hem: ‘liefhebben zul je de Heer, je God met heel je hart en heel je ziel en heel je verstand’ (Deut. 6,5); 38dat is het grote en eerste gebod; 39een tweede, daaraan gelijk: ‘liefhebben zul je je naaste als jezelf’ 

 

Een verbluffend antwoord. Het bestrijden van het inwonende rotzakje doe je door twee dingen tegelijk te oefenen en te doen: God liefhebben en je naaste evenzeer! Het eerste deel kunnen we nog heel aardig faken, als we willen. Wellicht onszelf voor de gek houden. En er onszelf en anderen van overtuigen dat we dat deel van het gebod serieus beoefenen.

Maar het tweede deel – je naaste liefhebben – valt slecht te veinzen. Mensen in je omgeving weten heel goed hoe het er met je voorstaat in dat opzicht.  Dat weten we ook zelf eigenlijk wel. Maar we zijn grootmeesters in het verklaren van ons falen door de ander de schuld in de schoenen te schuiven. Een matige relatie ligt ‘m eigenlijk nooit aan mij. Als die ander nu maar eens wat soepeler had gereageerd waren er geen problemen ontstaan. Dus ligt de schuld bij de ander (volgens mij dan).

 

Zo makkelijk laat de bijbel ons niet wegkomen. Rom. 13:

8Niets moet ge aan iemand schuldig blijven dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft heeft een Wet vervuld.

 

Het principe heet vandaag de dag NIVEA: NietInvullen Voor Een Ander. Wat een ander doet hebben wij niet voor het zeggen. Maar voor ons eigen gedrag en antwoord op andermans doen en laten blijven we helemaal zelf verantwoordelijk. En dan is niet wrok of minachting het antwoord. Maar liefde. Wij denken bewust of onbewust nogal eens dat liefde een transactie is (ik zal van je houden als jij…….).Wat God bedoelt gaat daar mijlen bovenuit. In Gods ogen kent liefde geen voorwaarden. Is liefde absoluut en zonder terughoudendheid. Met 1 Cor. 13:

4De liefde heeft lange adem, goedertieren is de liefde, niet afgunstig, de liefde praalt niet, blaast zich niet op, 5gedraagt zich niet grof, zoekt niet zichzelf, raakt niet beledigd, is geen boekhoudster van het kwaad, 6is niet verheugd over het onrecht maar verheugt zich over waarachtigheid; 7alles bedekt zij, tegen alles in gelooft zij, in alles hoopt zij, in alles volhardt zij. 8De liefde vergaat nimmermeer;

 

Liefde is een opdracht waar wij christenen niet lichtvaardig over moeten denken. Gods liefde is een liefde die ervoor kiest om de ander lief te hebben, wie die persoon ook is. We houden van iemand omdat God van haar of hem houdt.  Een andere weg om ons rotzakje eronder te houden bestaat er niet. Met de woorden van Martin Luther King:

Duisternis kun je met duisternis niet bestrijden. Alleen het licht kan dat. Haat kun je met haat niet bestrijden, alleen de liefde kan dat.[2]

 

dat mag, broeders-en-zusters van mij, níet zo wezen!

[1]J.B. Charles, Van het kleine koude front, 1978.

[2]Loving Your Enemies, speech in de Dexter Avenue Baptist Church in Montgomery, Alabama tijdens kerstmis 1957.