Preek zondag 9 september 2018


Alles, alles is gelegen

aan genade, aan Gods zegen;

welvaart komt bij Hem vandaan

 

Kunnen wij Gods aanwezigheid aanwijzen in ons dagelijks leven? Niet alleen op zondag maar ook op maandag t/m zaterdag? Als je op school zit, sport, werkt, uitgaat, als je boodschappen doet? Volstrekt concreet?

 

In een catechisatie vroeg de dominee “Wie van jullie heeft er wel eens iets van God gemerkt?” Het bleef lang stil. Wellicht om de verlegenheid te doorbreken meldde iemand dat er voor een erg zieke tante was gebeden. Ze genas.           

 

De vraag naar Gods aanwezigheid in het dagelijks leven is precies de vraag die Jacobus stelt aan zijn lezers in Jac. 4: 13 – 17: 13Welaan dan, gij die daar zegt: ‘vandaag of morgen trekken we naar die-of-die stad, een jaar zullen we daar vol maken,- er handel drijven en verdienen’, 14gij die niet eens iets weet van morgen, wat voor leven ge dan hebt: een damp zijt ge, die voor kort verschijnt en dan weer verdwijnt; 15in plaats dat ge zegt: ‘als de Heer wil en wij leven doen we dit of dat…’ 16Maar nu beroemt ge u in uw pralerijen; al zulk roemen is uit den boze; 17als iemand wéét hoe goed te doen en het niet doet is dat voor hem een zonde.

 

Jacobus schrijft aan “de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn.”Zijn lezers kenden God. Ze stamden af van het volk Israël. Wellicht waren hun (groot)ouders tot geloof in de Heer Jezus gekomen. Door vervolging in het land Palestina raakten ze verstrooid over landen langs de Middellandse Zee. En ze lieten God niet los: ze waren en bleven christen.

 

Het ging hen in de verstrooiing behoorlijk goed. Ze hadden door hard werken en goed handel te drijven een mooi bestaan opgebouwd. Hun geschiedenis, die begon met een vluchtelingenverhaal, was inmiddels wel uitgelopen op een succesverhaal van geaccepteerd burgerschap in de nieuwe omgeving. En de toekomst zagen ze met groot vertrouwen tegemoet. Paulus citeert uit een gesprekje: “Er zijn bij jullie mensen die zeggen: “Binnenkort gaan we naar die en die stad. Daar blijven we een jaar om zaken te doen en geld te verdienen.”

 

Bij alle voorspoed verdween Jezus uit hun dagelijks leven. Hij kwam op grote afstand te staan. Speelde hooguit op de zondag nog een rolletje. Hadden ze het gewoon te druk? Bleef er simpelweg geen ruimte meer over voor Jezus?

 

Dat is het niet, zegt Jacobus. Als eerste wijst hij zijn lezers op het dagelijks taalgebruik dat ze bezigen. En in dat taalgebruik ligt opgesloten hoe hun dagelijkse besognes in elkaar staken. Een flink aantal keren komt de zinsnede “gij die daar zegt” in verschillende vormen voor (bijvoorbeeld hoofdstuk 2: 3, 14, 16). De Joden in de diaspora spreken veel. Maar dan vooral over hun carrière en hun plannen. Over hun aanzien en over de kerk.

 

Maar de Heer zelf komt weinig aan bod in hun taalgebruik. Er wordt nauwelijks echt mét Hem gepraat.

Ook in het citaat uit hoofdstuk 4 (zie boven) is dat het geval. Plannen zat, maar God komt er niet in voor. God blijkt verdwenen uit het dagelijks leven. Succes is kennelijk een eigen verdienste in de beleving van de mensen in de diaspora. Lekker hard werken. Goed je best doen. En je gaat oogsten op grond van je eigen inspanningen.

 

En hoe zit dat met ons, vandaag der dag? Speelt God in ons leven een rol? En dan niet in het bovennatuurlijke. Dat zien, ervaren en geloven wij wel. God was nodig voor onze redding. Dat staat buiten kijf.

Maar als het nou gaat om het natuurlijke, het alledaagse gebeuren. Komt dat niet buiten het geloof te staan? Kunnen we ons “gewone” leven eigenlijk niet heel goed zelf op de rails krijgen en houden?

 

Jacobus is daar beslist niet positief over. Als zijn lezers denken alles zelf wel te kunnen organiseren en realiseren confronteert Jacobus hen met de woorden u bent immers maar een damp, die even verschijnt en dan weer weg is.” Psalm 103 (: 15, 16) zegt dat prachtig: 15Een mensje: als het gras zijn zijn dagen, als de bloem op het veld, zo bloeit hij. 16Want een storm trekt over hem heen en hij is weg, de plaats waar hij stond kent hem niet terug.

 

Wij westerlingen hebben alles van God gekregen en aan Hem te danken. Maar in de cultuur van vandaag de dag hebben we het allemaal zelf voor elkaar gebokst en zelf verdiend.

 

Alle zegen komt van God, zegt Jacobus. Dat vereist dat wij christenen weer zicht krijgen op onze eigen positie. De kerngedachte is dus: als wij in ons denken bekeerd worden, dan zullen wijde werkelijkheid met nieuwe ogen gaan waarnemen en daar gegarandeerd ook iets van God zien. Het probleem is echter, dat wij, christenen anno 2018, al zo gepokt en gemazeld zijn in het seculiere denken, dat het een heidens karwei is om op een andere manier te gaan denken. In de wereld om ons heen is weinig meer van het christelijke denken terug te vinden, en is ook weinig van de christelijke wereldbeschouwing terug te vinden. De media die geen rekening houden met God en gebod worden en masse  over ons uitgestort, van de Libelle tot de Happinez, van Pauw en Witteman tot de BNN, van nu.nl tot geenstijl, ze verslaan hun miljoenen, maar de stem van God hoor je er niet in terug. Hun seculiere kijk op de wereld wordt zo langzaamaan ook de onze.

 

En dan denken we dat wij het zelf wel kunnen rooien. De Bijbel denkt daar dus heel anders over. We denken alles wel zo ongeveer in de hand te hebben. Maar we zijn kwetsbaar. We denken nogal eens te groot van onszelf. Hoogmoed is dat, pralerij. Jacobus noemt dat zonde. Zo kunnen en mogen we niet met God omgaan.

 

Wie echt met God wil wandelen zal zich moeten oefenen in nederigheid en in afhankelijkheid. C.S. Lewis schreef[1]: “het instrument waardoor je God ziet is je hele zelf. En als je‘zelf’ niet schoon en glimmend gehouden wordt, wordt je beeld van God wazig – zoals wanneer je de maan bekijkt door een smoezelige telescoop.”

 

God is oneindig creatief in hoe Hij zich aan ons bekend maakt… als wij ervoor open staan. Zijn doel is dat wij Hem beter leren kennen en ons door Hem gekend weten. Hoe beter ik God ken, hoe makkelijker het is om Hem te vertrouwen als Hij mij richting geeft aan mijn leven.

 

God heeft ons geluk voor ogen. In Jeremia 29:11 zegt God tegen zijn volk: ‘Mijn plan met jullie staat vast – spreekt de Heer. Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven.’ Dit is Gods plan met uw en mijn leven.

 

En als dat Gods doel met ons leven is, reken dan maar dat Hij daar elke dag aan werkt. Als je gelooft dat Gods doel met jouw leven is dat Hij je een prachtige toekomst wil geven, samen met Hem in zijn koninkrijk, geloof dan ook dat God daar elk uur van de dag mee bezig is.

 

God’s betrokkenheid en aanwezigheid in ons leven is dikwijls iets wat we moeten leren zien. Het is iets waar we oog voor moeten krijgen. Dat vraagt oefening, maar vooral bewustwording.

 

Laten we dan ook Gods naam ook noemen in ons dagelijks leven. Gods naam noemen is Zijn naam loven. Dan zullen we ook in de alledaagse, natuurlijke dingen God weer gaan ontdekken. Hem voor ogenschijnlijk simpele, alledaagse dingen weer gaan bedanken. Mensen verdienen zeker erkenning en waardering voor wat ze doen. Maar al onze gaven en talenten komen van God. De eer komt uiteindelijk altijd Hem toe.

 

Allen die de Here vrezen
zullen onaantastbaar wezen,
daar zij in Gods vrijheid staan.

Alles ist an Gottes Segen(1676),
Johann Kohlros. Vertaling: Ria Borkent

 

 

[1]Mere Christianity