Preek zondag 5 augustus 2018


‘In het begin was Gods Zoon er al.’

 

We lazen vanmorgen het kruiswoord ‘Het is volbracht.’ Die kreet van Jezus staat in het evangelie van Johannes. En die schreeuw vat de intentie van dat evangelie helemaal samen.

Johannes presenteert Jezus vanaf de eerste zin als Gods Zoon. Om elk misverstand – over Wie zijn evangelie gaat – op voorhand weg te nemen. Het gaat Johannes niet om de aankondiging van de Messias. Niet om de schildering van een dienstknecht en een profeet. Niet om een exposé van een volmaakt mens. Johannes schrijft zijn evangelie als manifest van de Zoon van God. Daarom heeft Johannes het niet over de verzoeking in de woestijn. Of over Gethsemané. Of over de drie uren van duisternis. Johannes etaleert steeds weer de koninklijke, Goddelijke statuur van Jezus. Kernzinnen die dat weerspiegelen zijn Joh. 10: 17, 18: 17daarom heeft de Vader mij lief: omdat ík mijn lijf-en-ziel inzet, om die weer aan te nemen; 18niemand heeft haar van mij weggehaald, nee, ikzelf zet haar in, uit mijzelf; ik heb volmacht om haar in te zetten, ik heb ook volmacht om haar weer aan te nemen; het gebod hiertoe heb ik aangenomen van mijn Vader!

En minstens zo pregnant lezen we in hfdst. 10: 31, 32:31Wanneer hij dan naar buiten gaat zegt Jezus: nú wordt de mensenzoon verheerlijkt en wordt God verheerlijkt in hem!- 32als God door hem wordt verheerlijkt zal God hém ook verheerlijken door hem, ja onmiddellijk zal hij hem verheerlijken!-

 

De dramatiek is natuurlijk dat niemand toentertijd een koning verwachtte die zou lijden. Een koning die zijn leven geeft (Joh. 6: 51). Een koning die aan een kruis wordt verheerlijkt. Voor alle toehoorders was de boodschap van een gekruisigde koning volkomen onbegrijpelijk en volmaakt onbegrepen. Zo een koninkrijk verwachtte helemaal niemand. Een krachtig leider, die de Romeinse bezetter het land zou uitbonjouren, dat stond meer voor ogen.

 

Heel duidelijk wordt dat in het gesprek tussen Pilatus en Jezus. De Joden die Jezus overleveren willen van Pilatus slechts een handtekening onder het doodvonnis. Maar Pilatus begint een echt proces. Hij wil begrijpen wie er tegenover hem staat. Die man is geen rebel, geen opstandeling. Dat ziet hij wel. Maar wie is het dan wel?

 

Pilatus, die duidelijk wel meer wist, vraagt ‘Bent u de Koning van de Joden?’ Er waren immers wel meer opstandelingen geweest met die aspiratie. Jezus zegt Mijn koninkrijk is niet van deze wereld (of ‘orde’). Oftewel:zoiets ken jij niet, Pilatus. Ik ben een Koning. Maar niet van een aards rijk. Ik ben koning van een hemelse orde, maar overigens wel op aarde residerend! De hemel regeert in dit koninkrijk, maar doet dat op aarde. En dat rijk bestaat ook hier en nu, vandaag de dag. Waar mensen – christenen – de heerschappij van Christus aanvaarden, wordt dat koninkrijk praktisch zichtbaar. Daar wordt de grondwet van dat koninkrijk werkelijkheid. De leefregels van de Bergrede zijn er de richtlijn voor ieders gedrag en houding.

 

Mahatma Ghandi studeerde rechten in Engeland en werkte daarna enige tijd als advocaat in Zuid Afrika. Hij ontmoete daar christenen, die hem voorhielden Maar kijk nu eens hoe volmaakt ons geloof is! We kunnen niet anders doen dan onze zonde door Jezus te laten dragen. Hij is de enige die zondeloos is, Hij is de Zoon van God, en Hij heeft beloofd dat ieder die in Hem gelooft eeuwig leven zal hebben. Zo eindeloos goed is God. Onze zonden bezwaren ons niet, omdat we geloven dat Jezus voor ons verzoening heeft gedaan. Wij moeten wel zondigen, het is onmogelijk om in deze wereld zondeloos te leven. Daarom moest Jezus lijden en de zonde van alle mensen verzoenen. Alleen wie zijn verlossing aannemen krijgen eeuwig leven. Bedenk eens wat een rusteloos leven u hebt, en wat een belofte van vrede wij hebben gekregen.” Dat kon Ghandi allerminst overtuigen.Ik zoek geen verlossing van de gevolgen van mijn zonde, ik wil verlost worden van de zonde zelf, of beter gezegd: van de zondige gedachte. Totdat ik dat bereikt heb zal ik tevreden zijn met rusteloosheid.’ En over zijn christelijke gesprekspartner zei Ghandi ironisch: ‘Het bleek ook dat hij achter z’n woorden stond. Hij zondigde met open ogen, en maakte me duidelijk dat het denken daaraan hem niet in het allerminst bezwaarde.’

 

Als wij onze eeuwige redding volmondig incasseren maar vergeten dat vervolgens de Wetten van ons hemels koninkrijk compleet andere eisen aan ons stellen (“hebt uw vijanden lief”; “acht de ander uitnemender dan uzelf”) dan wat vandaag de dag in onze maatschappij bon ton is, dan missen we toch de helft van wat God ons wil geven. Onze wedergeboorte is niet het einde van ons leven als ongelovige, het is het begin van ons leven met Christus! We hebben eeuwig leven (we hebben kennis van de Vader en de Zoon en Hun relatie van liefde). En in die relatie worden wij opgenomen en meegenomen. Tenminste, als we de wetten van het Koninkrijk eerbiedigen en tot de onze maken. Rom. 6: 6: nu wij dít weten dat ons oude mens-zijn medegekruisigd is opdat het lichaam van de zonde buiten werking wordt gesteld en wij niet meer dienstbaar zijn aan de zonde.

Dat had Ghandi bij zijn christen-vrienden gemist, dus.

 

‘Hij is Gods enige Zoon, die bij de Vader vandaan gekomen is.’

Joh. 1: 1; 14. Bijbel in Gewone Taal