Preek zondag 16 januari 2011


 

‘k Wil Jezus volgen, heel mijn leven,

Bovenstaand citaat komt uit een kinderversje. Kinderen kunnen dat heel onbevangen zingen. En wij, volwassenen? Ook zo onbevangen? Of komen de smoezen van Lukas14 ons maar al te bekend voor? Onder het motto: “heel graag, maar nu eventjes niet helaas.”

Laten we kijken naar een oudtestamentische man die beslist niet zonder fouten was. Maar die wel zijn God wilde volgen. En die dat op cruciale momenten in zijn leven ook – soms tegen veler advies in – deed. Over David gaat het.

De geschiedenis is wel bekend. David was de jongste zoon in het gezin van Isaï. Als Samuel wordt gestuurd naar dat gezin om iemand tot koning te zalven, wordt David volkomen over het hoofd gezien! Als toekomstige koning stond hij niet op de shortlist. En na de zalving moest hij gewoon weer als herder aan het werk. Geduld leren. Nadat hij zich in de kijker speelt door Goliath te verslaan, komt hij aan het hof van koning Saul. David blijkt een bekwaam legeraanvoerder en behaalt overwinning op overwinning. Tot grote ergernis van Saul, die hem uiteindelijk dood wenst en dat bekend maakt ook. David moet vluchten voor zijn leven.

Als hij een schuilplaats vindt in de spelonk van Adoelam en verder trekt hen land Moab in, vraagt hij de koning van Moab of zijn ouders mogen komen (1 Sam. 22: 3b): totdat ik zal weten wat God met mij wil doen! David wacht af wat God met ‘m voorheeft.

Wat later hoort Saul dat David in de woestijn van Een Gedi zit. David verstopt zich in een spelonk, waar Saul vervolgens zich te ruste legt. Een uitgelezen kans om Saul een kopje kleiner te maken en zo het koningschap over te nemen. Zijn volgelingen dringen daar op aan. Maar David doet dat niet (1 Sam. 24: 7): Hij zegt tot zijn mannen: verre zij het van mij vanwege de Ene dat ik dát woord zou doen aan mijn heer, aan de gezalfde van de Ene: mijn hand tegen hem uitsteken!- David weigert het recht in eigen hand te nemen. Hij wacht op Gods tijd en hulp. Iets soortgelijks speelt zich nog een keer af, als David met Avisjai het leger van Saul binnensluipt en de ook dan weer slapende Saul “ gefundenes Fressen” is(1 Sam. 26 : 11): verre zij het voor mij vanwege de Ene dat ik mijn hand zal uitstrekken tegen de gezalfde van de Ene;

Als David koning is, is er oorlog met de Filistijnen. David vraagt God wat ‘ie moet doen: oprukken en slag leveren? Of juist niet (2 Sam 5: 17 – 24). Opmerkelijk dat David twee keer die vraag stelt, en God van antwoord wisselt. David luistert beide keren, tot zijn groot voordeel.

Een laatste situatie waarin David zich helemaal aan God overgeeft is bij het terughalen van de ark. David is zo blij dat hij zich niks aantrekt van zijn koninklijke waardigheid of voorname status, maar (2 Sam 6 : 14): met alle macht ronddanst voor het aanschijn van de Ene,- Zijn vrouw Michal vindt dat werkelijk helemaal niks. Kijkend uit een venster (2 Sam. 6 : 16): ziet zij koning David ronddansen en springen voor het aanschijn van de Ene, en zij veracht hem met heel haar hart. En David? Ziet hij in hoe belachelijk hij zich aanstelt? Welke vernedering hij zichzelf aandoet? Integendeel (2 Sam. 6: 21, 22): ‘k heb gespeeld voor het aanschijn van de Ene! Ik wil nog wel geringer zijn dan deze vrouwen,- ik zal sjofel zijn in eigen ogen,-

David liet de wereld zien dat hij de grote God altijd en in alles de voorrang gaf. En wij? Wat kunnen wij doen om datzelfde te laten zien? Is dat niet de weerspiegeling van Gods liefde? Een liefde waarvan we in I Kor. 13 (: 4, 5) een poëtische beschrijving lezen?

· De liefde heeft lange adem,

· goedertieren is de liefde,

· niet afgunstig,

· de liefde praalt niet, blaast zich niet op,

· gedraagt zich niet grof, zoekt niet zichzelf,

· raakt niet beledigd,

· is geen boekhoudster van het kwaad,

Als we te midden van alle egotripperij van vandaag op deze manier het “gij geheel anders” werkelijk zouden laten zien, zouden we dan niet een beetje op David gaan lijken? En iets waarmaken van onze christelijke roeping?

‘k Wil Jezus volgen, dag aan dag,