Preek zondag 13 mei 2018


Laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,-

 

Een paar weken geleden spraken we over “lijden”. In het begin van de bijbel lezen we over de zonde van Adam en Eva. Adam en Eva geloofden de leugen van satan. In plaats van God te vertrouwen probeerden ze meer voor zichzelf te leven dan God lief te hebben en Hem te gehoorzamen. Een onvermijdelijk gevolg van hun zonde was lijden.

 

Zo bezien is er dus een relatie tussen zonde en lijden. We lezen over zonde in de brief aan de Galaten (hfdst. 5: 17 – 26). Een brief met nogal krasse taal. Paulus verwijt de gelovigen in Galatië dat ze de genade van Christus ter zijde schuiven en in plaats daarvan de wet weer een centrale plaats toekennen. En dat is volgens Paulus werkelijk de achterdeur uit. Wie zich laat leiden door Gods geest staat niet meer onder een wet; Paulus noemt dat ‘het verlangen van het vlees.’ En dan somt hij een lange lijst met ‘werken van het vlees’op: ontucht, zedeloosheid, bandeloosheid, beeldenverering, gifmengerij, vijandschappen, twist, na-ijver, woede-uitbarstingen, uitingen van zelfzucht, tweedrachten, partijschappen, aanvallen van afgunst, dronkenschappen, orgiën en dergelijke dingen. In later jaren raakte in de kerk het begrip ‘de zeven hoofdzonden’in zwang. Ook dat lijstje is heel herkenbaar voor ons individueel: 1) hoogmoed 2) hebzucht 3) wellust 4) jaloezie 5) vraatzucht 6) woede 7) luiheid.  De hoogmoed werd gezien als de ‘moeder aller zonden’: alle andere zonden komen eruit voort. De valkuil van de hoogmoed leidt tot trots en ijdelheid. Tot een ongezonde narcistische liefde voor jezelf. Tot het jezelf belangrijker achten dan een ander.

 

Herkenbare lijstjes ongetwijfeld. Want de kiemen van al die zonden vinden we in de krochten van ons eigen hart. Hoe kunnen we dat nou aanpakken? Hoe kunnen we de zonde buiten de deur houden? Is dat überhaupt wel mogelijk?

 

Er is Iemand die het ons heeft voorgedaan en voordoet. Iemand die (1 Petr. 2: 23) niet terugschold als Hij werd uitgescholdenen als hij lijden onderging niet dreigde. Het absolute tegendeel dus van hoogmoed. Van ‘ze nemen me maar zoals ik ben’.

 

Als er één persoon werkelijk ultieme nederigheid heeft betracht is dat Christus. God zelf, die in de gedaante van een mens (Fil. 2: 8) zichzelf heeft vernederd, gehoorzaam geworden tot in de dood, de dood aan een kruis.

 

Als de hoogmoed weer eens vat op ons krijgt kunnen we niet beter doen dan ons spiegelen aan Christus zelf. Zou Hij op zijn strepen zijn gaan staan? Zou hij gezegd hebben ‘bekijk het lekker zelf?”

 

In Galaten 5 lezen we ook over ‘de vrucht van de Geest:’ liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, betrouwbaarheid, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Paulus, schrijver van de brief aan de Galaten, maakt duidelijk dat deze uitingen van gedrag wenselijk en normaal zijn voor christenen. Want zoals een appelboom niks anders kan dan appelen voortbrengen, zou een christen niks anders moeten doen dan nederig en vriendelijk zijn.

 

Is dat eenvoudig? Absoluut. Is dat makkelijk? Absoluut niet. Eenvoudige dingen zijn nog niet gemakkelijk. God de Geest zelf spreekt in ons en houdt ons voor ons wat we moeten doen. Brengt het ons te binnen. Door ons geweten. Houdt ons de liefde, de vrede en de blijdschap van Christus voor. Dat is de vrucht van de Geest. En dat is een dagelijkse oefening tevens.

 

Romeinen 8 vat de strijd die zich in elke christen afspeelt prachtig samen. Je bent vrij zegt Paulus daar. Laat je dan geen wet meer opleggen. Als je dat wel doet val je uit de genade. Je rechtvaardigheid krijg je niet omdat je de wet houdt! Maar geloof, door liefde werkzaam, daar gaat het om. En ook hier zet Paulus ‘Geest’ scherp tegenover ‘vlees’:Want het streven van het vlees staat vijandig tegenover God: aan de Wet van God onderwerpt het zich niet, en dat kán het ook niet.

 

Als wij Christus werkelijk geloven en willen dienen zullen we zijn geboden serieus moeten nemen en zullen we ons elke dag moeten inspannen om de vrucht van de Geest te weerspiegelen in ons leven. Want wij zijn niet in het vlees maar in de Geest, daar immers Gods Geest in ons woont. Het is een Goddelijke opdracht. Een leven lang.

 

hij heeft zichzelf vernederd, … tot de dood aan een kruis.

Fil. 2: 5, 8