Preek zondag 22 april 2018


met onze jongeren en onze ouderen gaan we;

met onze zonen en onze dochters, ons huisgezin,

 

God bemoeit zich actief met de verspreiding van de boodschap van zijn genade. Dat doet hij vooral door de apostel Paulus, de woordvoerder van God voor de niet-Joden. De overgang die Handelingen schetst is van Jood naar heiden, van wet naar genade, van de apostel Petrus naar de apostel Paulus. Eerst is het Petrus die handelt, later verschuift dit naar Paulus. Het tweede deel van Handelingen gaat met name over Paulus’ zendingsreizen.

 

In Handelingen 16 treffen we Paulus aan aan het begin van zijn tweede zendingsreis. De eerst reis was goed en tot tevredenheid verlopen, maar het begin van de tweede was problematischer. Ruzie tussen Paulus en Barnabas, en ook vragen wat de heilige Geest nou precies wilde van hen (Silas, Lukas, Timotheüs en Paulus). God leidt hen, en soms doet hij dat door dingen juist níét te laten gebeuren. Ze werden verhinderd het woord te spreken in Asia. En even later plannen ze naar Bitynië te reizen, maar de geest van Jezus laat hen niet toe.

 

Ze reizen door en komen in Troas. Daar krijgt Paulus ’s nachts een visioen; hij ziet een Macedonische man die hem bij zich roept en zegt: steek over naar Macedonië en help ons!

 

Paulus volgt die roepstem; hij had de overtuiging dat God hen riep om daar het evangelie te verkondigen. Ze komen aan in Filippi, de eerste stad in dat deel van Macedonië.

 

Op sabbat doet Paulus wat hij altijd deed op zijn zendingsreizen: hij zocht de lokale joden op. Nu had Filippi geen synagoge; in zo een geval waren de joden gewoon op een gebedsplaats elkaar te treffen, meestal langs een rivier. Psalm 137 laat ook zo een situatie zien:

 

Aan Babels rivieren, daar zaten wij neer, ja weenden, als wij dachten aan Sion. Aan de wilgen die daar staan hebben wij onze harpen gehangen. Want daar vroegen ons onze kerkeraars de woorden van een zang, onze folteraars vreugde: ‘zingt voor ons een zang van Sion!’ Hoe zouden wij zingen het gezang van de Ene, op de grond van een vreemde?

 

Paulus verwacht dus aan de rivier Joden te treffen, en hij ontmoet er een groepje Joodse vrouwen die kwamen op te bidden. De roepstem van de Macedonische man – Jezus zelf – bracht hem daar.

 

Het is opmerkelijk hoe centraal het gebed en gebedsbijeenkomsten staan in het boek Handelingen. Handelingen 1 begint er al mee (: 13, 14). En in Handelingen 4 reciteren ze eerst Psalm 2, ze realiseren zich dat er moeilijke tijden aanbreken en bidden geef het aan uw dienaars om met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken. De consequenties – vervolging en martelaarschap – namen ze voor lief. De plaats waar ze zijn trilt en allen zijn vervuld van de heilige geestesadem; het woord van God hebben zij met vrijmoedigheid kunnen spreken.

 

Eén van de vrouwen, Lydia, wordt door Paulus’ woorden geraakt en bekeert zich. Ze wordt gedoopt en ook haar hele huishouden. Dat ziet op de traditie in het jodendom die stamt uit de tijd dat Israël in Egypte verbleef, als slavenvolk. Op de nacht dat God zijn volk daar bevrijdt – door een lam te laten slachten en het bloed aan de deurposten en bovendorpel van de joodse huizen te smeren – was het complete gezin, het hele huishouden, veilig achter dat bloed. Als dat lam niet geslacht zou worden, betekende dat de dood van de oudste zoon.

Zo moest ook de Heer Jezus de dood ondergaan. Anders hadden wij moeten sterven. Als de Heer in Mattheus 16: 21 zijn sterven en opstanding aankondigt verzet Petrus zich daar heftig tegen. De daaropvolgende terechtwijzing van Jezus is ongemeen scherp: ga wég, achter mij, satan! je bent me een struikelblok, omdat je niet Gods zaken in de zin hebt maar die van de mensen!

 

Na de opstanding van Jezus ontstond de gemeente, een nieuw familieverband, van christenen. De Heer zelf noemt ons zijn broeders en zusters. Heel de familie van Lydia werd gedoopt, in het verband van dat nieuwe christelijke gezin. “U en uw huis.”

 

 

 

 

Dan gaat de geschiedenis verder. Gevangenschap is daarbij het thema.

 

Allereerst is daar een slavinnetje met een waarzeggende geest. Ze is gevangen door een demon. De boodschap die ze uitschreeuwt lijkt nogal correct: deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God; zij verkondigen u de weg van redding! Maar haat getuigenis is onbruikbaar! Zij heeft zelf bevrijding van haar demon nodig en krijgt die ook!

 

Haar bazen zagen de winst van hun inkomstenbron daarmee verdampen. Woest waren ze. Ze grepen Paulus en Silas en sleepten hen mee vaan de markt, waar de stadsbestuurders zitting hielden. Hun aanklacht luidde deze mannen brengen onze stad in de war; het zijn Judeeërs, en zij verkondigen gewoonten die het ons als Romeinen niet geoorloofd is te aanvaarden of te doen! Een dubbele aanklacht, en antisemitisme is kennelijk van alle tijden!

 

Met zulke oproerkraaiers wist de gevangenbewaarder van Filippi wel raad. Ze werden eerst afgeranseld en vervolgens diep in de binnenste bewaking vastgeklonken.

 

Wat is er nou logischer dan dat Paulus en Silas zich afvragen “Was dit nou onze roeping? Is dit Gods planning? Hebben we ons wellicht vergist?”

 

Maar niks van dat alles! Paulus en Silas beginnen te zingen. Dat was wel zo ongewoon dat andere gevangenen verbluft luisteren. Nooit vertoond, zoiets.

 

En dan grijpt God in. Er komt een aardbeving die hevig is en tegelijk onverklaarbaar plaatselijk. De deuren van de gevangenis springen open, en de boeien van de gevangenen ook. Buiten de gevangenis wordt en van de beving kennelijk niks gemerkt! En heel bijzonder is ook dat alle gevangenen ‘gewoon’ blijven waar ze zijn.

 

De hoofdpersoon in deze geschiedenis – de gevangenbewaker – schrikt wakker van de beving, ziet de deuren van de gevangenis open staan, denkt dat de gevangen de benen genomen hebben en wil zelfmoord plegen. Hij peinst er niet over om als falende hoofdbewaker zijn terechtstelling af te wachten.

 

Paulus ziet dat de man een zwaard heeft en zich erin wil storten. Paulus schreeuwt doe uzelf geen kwaad, want we zijn allemaal hier!

 

De gevangenbewaker vraagt om licht, ziet dat iedereen er nog is en begrijpt dat Paulus en Silas iets hebben wat hij niet heeft. Hij beeft en stamelt heren, wat moet ik doen om gered te worden? Het antwoord is vertrouw op de Heer Jezus, en u zult worden gered, u en uw huis!

 

Ook hier weer die opmerkelijke toevoeging: u en uw huis. Als de gevangenbewaker schuilt achter het bloed van het lam is hij veilig met allen die in zijn huis verblijven. Die huisgenoten blijken net zo onder de indruk als de oppercipier zelf, want ze laten zich allemaal tegelijk dopen!

 

Het huis waarin wij fysiek wonen is een christelijk huis. Voor ons en onze kinderen. Zijn we ons daarvan voldoende bewust?

Natuurlijk, als kinderen uitvliegen moeten ze persoonlijke keuzes maken als het om geloof gaat. Maar laat tot dat moment ons huis een christelijk verblijfsoord zijn voor ons en onze kinderen.

 

Noach (“rust” betekent zijn naam) moest een ark bouwen. Op het droge. Lachwekkend vonden de omstanders dat. Ze mochten best aan boord, maar wilden dat niet. Ja hoor, een zondvloed. Morgen brengen.

In de ark verbleven uiteindelijk acht mensen. Slechts één daarvan wordt rechtvaardig genoemd: Noach zelf. Maar in zijn ark was iedereen –Noach en zijn huis– veilig. En alle acht overleefden de zondvloed.

 

De belofte gedaan aan “u en uw huis” staat centraal in de bijbel. Laten we bidden om Gods genade, voor ons en ons huis.

 

want het feest van de Ene is het voor ons!

(Ex. 10: 9)