Preek zondag 15 april 2018


zij zullen geen honger en dorst meer hebben,

de zon noch enige andere hitte zal op hen vallen, 

 

Psalm 121 hoort beslist tot de bekendste liederen uit de bijbel. Heel veel serieuze bijbellezers zullen je vertellen dat God als een beschermende berg om je heen is. (Een andere psalm (125) zegt hetzelfde: Jeruzalem: bergen rondom haar, en zo de Ene rondom zijn gemeente, van nu af en tot in eeuwigheid.) God als een beschermende berg; God is altijd bij je en zal je behoeden tegen kwaad en over je waken tot in eeuwigheid.

 

Psalm 125 zegt dat inderdaad. Maar psalm 121 misschien toch niet. Wij mensen trappen makkelijk in de valkuil van de diagnose. We zien of lezen (onbewust!) dat wat we (menen te) weten. Door selectief te lezen krijgen we bevestigd we wat we toch al verwachtten.

 

Wie jarenlang is opgevoed met de (herziene dan we oorspronkelijke) Statenvertaling en de daarop gebaseerde berijming (1773) die luidt:

 

 

Berijming 1773

‘k Sla d’ ogen naar ’t gebergte heen,
Vanwaar ik dag en nacht
Des Hoogsten bijstand wacht.

Berijming 1973

Ik sla mijn ogen op en zie
de hoge bergen aan,

waar komt mijn hulp vandaan?

 

zal in de berijming uit 1973 nauwelijks iets anders lezen dan hij verwachtte. Is in psalm 121 sprake van een rotsvast Godsvertrouwen in de eerste twee verzen, of eerder van angst en vraagtekens voor de nabije toekomst?

Het lijkt erop dat de persoon die in de eerste twee verzen aan het woord is met twijfels rondloopt hoe hij de nabije toekomst tegemoet zal treden (:1)Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal komen mijn hulp?. Hij geeft wel zelf als in een reflex het – standaard – antwoord (:2)Mijn hulp is van bij de Ene, de Maker van hemel en aarde. Maar of dat antwoord, die mantra, ook werkelijk werkt voor hem?

 

Dan plotseling komt er een tweede persoon naast hem lopen. Die spreekt hem toe. Prachtige woorden van vertrouwen en zekerheid. Het lijkt wel een waarzeggende voorspelling voor de toekomst.

Zes keer gebruikt hij het woord niet (of nooit) en hij zet dat woord steeds voorop. Niet wankelen zal je voet, niet sluimeren, nooit slapen zal je beschermer, niet steken zal de zon of maan. En ook zes keer brengt die tweede persoon God als waker en bewaarder in herinnering. God is een vriend voor je; hij waakt als een herder over zijn kudde; hij is trouw als een vader.

De woorden van deze tweede persoon stralen geen enkele twijfel uit (zo van “God kan absoluut alles, maar doet het niet altijd, tsja, soms wel en soms ook niet.”) En als er staat hij zal waken over je ziel dan houdt dat in het oude testament de hele persoon in: je lichaam, je persoonlijkheid, je relaties, je gezin, je verstand, je geest. Alles, zonder uitzondering.

Woorden die toch ook ergens wel bekend voorkomen. Waar hebben we die eerder gelezen? Numeri 6: 22 – 27: 22Dan spreekt de Ene tot Mozes en zegt: 23spreek tot Aäron en tot zijn zonen en zeg: zó zult ge de zonen Israëls zegenen; door tot hen te zeggen: 24de Ene zal je zegenen en je bewaken!- 25de Ene laat zijn aanschijn tot je oplichten en is je genadig!- 26de Ene heft zijn aanschijn tot je op en legt op jou vrede! 27Leggen zullen ze mijn naam op de zonen Israëls; ík zal hen zegenen!

De man die met de twijfelaar en onrustige persoon oploopt is een priester! Hij zegent de man die op het punt staat Jeruzalem te verlaten en de reis naar huis te ondernemen. Thuis, waar zorgen en problemen op hem wachten.

De priester doet geen toekomstvoorspelling. Hij legt Gods naam – JAHWEH, Ik ben er voor je– op hem. God, die Israël door de Rode Zee leidde. Die zijn zoon Jezus afstond op Golgotha. Die opstond uit de dood. Die God is zo dicht bij je als je eigen schaduw. In alle omstandigheden.

 

want het lam in het midden van de troon zal hun herder zijn en hun de weg wijzen naar de waterbronnen van het leven; en God zal iedere traan uit hun ogen wegwissen!

Op. 7: 16, 17.