Preek zondag 1 april 2018


T’ en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,

 

In de lijdenstijd voor Pasen staan lezen we over het proces waarin der heer Jezus werd veroordeeld. Op grond van welke aanklacht werd uiteindelijk het doodvonnis getekend[1]? En wat had de Joodse tempel daarmee te maken? We gaan deze vragen na, door de geschriften van vier ooggetuigen erop na te vlooien. De vier evangelisten dus, want andere geschriften bestaan er eigenlijk niet. Daarmee gaat het ook niet in de eerste plaats om vragen van juridische of theologische aard. Het gaat hier om geloofsvragen. Met als kernvraag: hoe staan we tegenover de beklaagde in dit proces?

 

Het Joodse volk had in zijn geschiedenis meerdere tempels:

  • Allereerst de tabernakel natuurlijk, gedurende de tocht door de woestijn. De ark werd in de tabernakel geplaatst achter de voorhang. Exodus 40: 34 vermeld nadrukkelijk dat de glorie van de Ene de Woning vervulde.
  • Dan de tempel, gebouwd door Salomo. Ook Salomo plaatste de ark in de tempel, in het binnenst heiligdom (1 Kon. 6: 19). Deze tempel werd na ongeveer 400 jaar verwoest in 586 voor Christus, bij de wegvoering naar Babel.
  • De tweede tempel, waarvan het boek Ezra rept. Veel bescheidener dan die van Salomo. In deze tempel was geen ark van het verbond. Die ging verloren bij de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs. Daarom kon ook het jaarlijkse ritueel van het verzoenen van de zonden van het volk tijdens Grote Verzoendag niet meer voltrokken worden. Deze tempel werd door Herodes de Grote gerestaureerd, uitgebouwd en verfraaid. Die herbouw was gereed in het jaar 64 na Christus. Zes jaar later werd het gebouw door Titus met de grond gelijk gemaakt.
  • (Verder ziet Ezechiël nog een visioen van een tempel in het toekomstige vrederijk)
  • En in Openbaring 21: 22 wordt gesproken over het nieuwe Jeruzalem, een stad zonder tempel, want de Heer God, de albeheerser, is haar tempel en het lam.

 

God wil bij mensen wonen. In het Oude Testament was dat bij het Joodse volk. In hun theologische en politieke bestaan nam de tempel een zeer belangrijke plaats in.

 

Dan wordt Jezus gevangengenomen nadat hij het in de drie jaar van zijn openbaar optreden steeds meer aan de stok kreeg met de leiders van het Joodse volk. Het proces speelt zich af op twee fronten, Er is een Joods proces voor het Sanhedrin, met Kajafas als belangrijkste persoon, en een Romeins proces met Pilatus voorop.

 

Door het Sanhedrin werd Jezus in eerste instantie beschuldigd van Zijn Messiaspretenties. Maar gaandeweg ontwikkelde dat zich in een aanklacht wegens tempelschennis. Matthéüs 26: 63 en 64: En de heilidomsoverste zegt tot hem: ik bezweer u bij de levende God dat u ons moet zeggen of u de Gezalfde, de zoon van God, bent! Jezus zegt tot hem: ú zegt het; alleen zeg ik ulieden, van nu af zult ge de mensenzoon zien ‘zittend ter rechterhand van de Kracht’ en ‘komend op de wolken van de hemel’ (vgl. Dan. 7,13)!

Dit werd het breekpunt. De Zoon des mensen is degene die zich aan Gods rechterhand heeft gezet en met eer en majesteit is gekroond. De heerlijkheid des Heeren was niet meer verbonden aan de tempel, waarbij de jood zwoer, doch deze woonde in Jezus, de Zoon des mensen. Met die uitspraak van Jezus werd daarom voor de hogepriester de tempel geschonden. Vandaar zijn reactie: „Hij verscheurde zijn klederen en zei: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Nu hebt gij zijn godslastering gehoord”.

Pilatus komt niet tot een veroordeling van Jezus, maar zwicht wel voor de politieke druk van de Joodse leiders; hij stemt toe in hun veroordeling en straft met de Romeinse doodstraf, de kruisiging. Daarmee werd de voorzegging van Deut. 21: 23 vervuld.

 

Bij Jezus’ dood scheurde het voorhangsel van de tempel (Matth. 27: 51) van boven tot beneden in tweeën. Daarom kunnen wij bij God komen (Hebr. 10: 20) langs de pas-verschenen en levende weg die hij ons nieuw heeft gebaand door het voorhangsel heen. Laten we dat vrijmoedig doen!

 

Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Hy droech onse smerten. Jacob Revius.

[1] N.a.v. ‘Het proces tegen Jezus’, Medema, Vaassen 1990.