Preek zondag 25 maart 2018


Uit de diepten heb ik u, Ene, geroepen:

 

‘Klaagliederen’ scoort vast niet hoog in de categorie populaire Bijbelboeken. Donkere, beklemmende teksten. Onaangenaam zelfs. Sombere, terneerdrukkende woorden.

Bij een christenleven passen toch eerder de teksten van vertrouwen en verwachting. Van uitkomst en bevrijding. Van God die helpt en troost. God die blijheid en voorspoed geeft en het goede niet onthoudt aan degene die het toekomt. God die geeft zonder voorbehoud en verwijt. Is het niet God zelf die bij monde van de schrijver van de Klaagliederen zegt (Jer. 29: 11): want zelf ken ik de gedachten het best die ik over u denk, is de tijding van de Ene,- gedachten van vrede en niet van kwaad: u een toekomst te geven en goede hoop;

 

Een preek over Klaagliederen, moet dat nou? Of mis je toch een heel reëel deel van het menselijk leven als je niet nadenkt over klagen en Klaagliederen? Omdat er op deze aarde veel pijn en verdriet is. Veel leed en wanhoop. Er zijn veel depressieve jongeren, rapporteert de krant. Moorden op Koptische christenen; moorden op christenen in India en Noord-Korea. Kinderen die op school zo gepest worden dat ze een einde maken aan hun leven. Misschien toch maar eens lezen, die Klaagliederen?

 

Hoe kijken wij er tegen aan als mensen hun diepste nood klagen? Horen we dat een poosje aan en denken dan ‘zoek liever professionele hulp’. Of ‘haal wat antidepressiva bij de apotheek.’

Of zijn we iets christelijker in onze reactie? “Maar je weet toch ook dat God voor je zorgt? En dat je altijd bij Hem terecht kunt?

 

Als God geen antwoord geeft, moeten wij dat dan maar namens Hem doen? Een derde van alle psalmen zijn klaagpsalmen. Mensen klagen bij God. En niet altijd is er een positieve wending.

 

De Klaagliederen ontstonden nadat Nebukadnezar Jeruzalem had ingenomen en met de grond gelijk gemaakt na een belegering van anderhalf jaar. Nebukadnezar was het politieke gekonkel van Zedekia met Egypte helemaal zat en stuurde zijn leger op Jeruzalem af. De honger in de stad werd zo gruwelijk dat (4: 10) : de barmhartigste vrouwen eigenhandig hun borelingen gekookt hebben,- Daarmee ging een voorzegging uit Deuteronomium 28 (:53) wel heel letterlijk in vervulling! Typisch geval van ‘eigen schuld, dikke bult’ dus. Hadden ze kunnen weten. Moeten ze op de blaren zitten.

 

En toch de Klaagliederen. Heer, waarom doet u ons dit aan? Wilt u dan geen God meer zijn in Sion? Betekenen wij niks meer voor U? Is dit terecht?

 

Wij citeren nog wel eens het “niet klagen maar dragen en vragen om kracht.” Maar Klaagliederen zegt dat niet! Er is alle ruimte om de klacht te uiten.

Misschien moeten ook wij niet te snel klaar staan met “Maar God geeft toch ook nog wel zegeningen?” “God is bij je om je te helpen?” “Je moet ’t maar accepteren” “God doet toch alle dingen meewerken ten goede?

 

Maar je hoeft het niet te accepteren! Bij God is er alle ruimte voor je klacht. Voor je wanhoop. Voor je boosheid. Voor je gevoel van ‘dit verdien ik niet.’

Stop je ellende niet weg, leert Klaagliederen ons. In je relatie met God mag je heel, heel ver gaan.

 

Precies in het midden van het boek (hfdst. 3: 22 – 33) staat een stukje met een andere heel toon dan wat er voor staat en wat er na komt. De inktzwarte duisternis wijkt elf verzen lang. Gesproken wordt over de goedertierenheid van God. God die niet voor eeuwig verstoot. En niet van harte verdrukt. De profetie die in de Klaagliederen ligt opgesloten is vervuld door de Heer Jezus. Aan het kruis. Er was geen smart als de zijne. Hij is vertreden in de wijnpers. Er vloeide bloed. Zijn bloed. Door Hem en bij Hem is er altijd hoop.

 

En wij? Als wij onze diepste nood klagen bij God, wat zou God daarvan vinden? Of omgekeerd: als we God buiten onze ellende laten, is Hij daar blij mee? “Ben je vermoeid en belast? Kom maar bij me.” We eren God door midden in de ellende Hem vast te houden. Dat is voor ons een klaagzang, maar voor God een lofzang. Donker getoonzet. Maar het blijft toch een loflied, de stem van ons uit de diepten smeken om genade.

 

Hij is het die Israël loskoopt van zijn ongerechtigheden alle!

Psalm 130