Preek zondag 4 maart 2018


vrees niet; ik ben de eerste en de laatste en de levende,

 

De Bijbel spreekt is het boek Openbaring (4: 4, 10; 5: 14) over 24 ouderlingen. Er zijn verschillende uitleggingen over de vraag wie hier ten tonele worden gevoerd. Zijn het engelen? Zijn het mensen van vlees en bloed?

Heel wat uitleggers (zie – onder meer – Constable) nemen aan dat het gaat om twaalf leiders van het oudtestamentische Israel en twaalf leiders van de nieuwtestamentische kerk. In dat licht en met die visie lezen we Hebreeën 11: 39 en 40: En hoewel van hen allen is getuigd om het geloof, hebben zij het aangekondigde niet gekregen,- daar God iets beters heeft voorzien voor óns, zodat zij niet zonder ons hun voleinding kunnen bereiken.

Opmerkelijke woorden! De trouwe gelovigen die in de oudtestamentische tijd stierven hebben de toegezegde erfenis nog niet in ontvangst kunnen nemen. Dat gebeurt eerst in de toekomst, waarschijnlijk bij de tweede komst van Christus, wanneer de oudtestamentische gelovigen opgewekt worden ( Dan. 12: 1-2).

En wij hebben op de een of andere manier deel aan hun beloning (zij (kunnen) niet zonder ons hun voleinding bereiken). Wij zullen op z’n minst, als metgezellen van Christus, getuige zijn van hun beloningsceremonie. Hun voleinding ziet erop dat ze de uiteindelijke rust binnengaan, en dat feit is gebaseerd, net als bij ons, op de offerdood van Christus zelf. Het lot, de uiteindelijke bestemming van deze mensen, wordt gekoppeld aan onze bestemming. Zij zullen net als wij opstaan ten leven (Op. 20: 4).

We kunnen Johannes de Doper wel als vertegenwoordiger van deze oudtestamentische gelovigen zien. Van hem wordt gezegd (Matth. 11: 11): amen is het, zeg ik u: onder wie uit vrouwen zijn geboren is er geen ontwaakt groter dan Johannes de Doper; maar in het koninkrijk der hemelen is de kleinste groter dan hij; We zijn met elkaar verbonden als oud- en nieuwtestamentische gelovigen, en tegelijk is er een verschil.

Ook Petrus schrijft daarover in zijn eerste brief (1 Petrus 1: 3 – 5; 10 – 12). De profeten uit het oude testament hebben over de redding van onze zielen …….. alles uitgezocht en uitgevorst, En deze profeten wisten dat het niet over henzelf ging, maar over mensen na hen: Aan hen is geopenbaard dat zij niet zichzelf maar ú dienden met diezelfde dingen die u nu zijn aangekondigd.

De profeten uit het oude testament getuigden al van het heil dat zou komen, maar ze ontvangen dat samen met ons! Bij de Heer zijn we samen!

 

 

Die eenheid tussen oud en nieuw testament komt ook geweldig naar voren in de geschiedenis van de Emmaüsgangers (Lukas 24: 13 – 35). Een verhaal in een setting die we perfect herkennen. Een gewone, alledaagse wandeling. Met twee discussierende personen. Ze zijn op weg naar huis. Dan voegt zich een derde persoon bij hen. Die vraagt waar ze het over hebben. Het blijkt te gaan over “Jezus de Nazarener, een man die profeet was.Was, inderdaad. Christus wordt opgesloten in het verleden. Dat Christus de Levende is, Koning in heerlijkheid, dat is voor hen geen werkelijkheid.

En dan neemt de derde persoon het woord (: 25, 26 en 27). En híj zegt tot hen: o onverstandigen, te traag van hart om te geloven op grond van alles wat gesproken hebben de profeten!- moest de Gezalfde niet dat alles lijden, en (zó) binnengaan in zijn heerlijkheid? En beginnend bij Mozes en bij alle profeten, legt hij hun uit wat in alle geschriften over hem gaat.

Als de twee mannen hun bestemming bereiken dringen ze sterk aan bij de derde om mee naar binnen te gaan en samen te eten. En dat doet de Here Jezus. Hij blijft. De Emmaüsgangers, ze hebben zonder het te weten gewandeld met Christus, en ze hebben aan de voeten van Christus gezeten en nu gaan ze ook eten met Christus. Hun Gast wordt zelf hun Gastheer. Want Hij neemt het brood, Hij spreekt de zegen uit, Hij breekt het en Hij geeft het.

De schellen vallen van hun ogen! Het brood! Terwijl zij eten neemt Jezus een brood. Na een zegenspreuk breekt hij het. Hij geeft het aan de leerlingen en zegt: neemt, eet; dit is mijn lichaam! Als de verpletterende waarheid – Hij is opgestaan en leeft! – tot hen is doorgedrongen reppen ze zich terug naar Jeruzalem. En vertellen van de Levende! Laten we daar ook onze ogen voor openen. Laten we daarvan spreken. Laat er een vuur branden in onze harten!

 

en ik was dood en zie: ik ben de levende tot in de eeuwen der eeuwen,

Op. 1: 18