Preek zondag 25 februari 2018


 

wat dan een mensje dat gij hem gedenkt,

de mensenzoon dat gij hem bezoekt?

 

Wanneer je vandaag de dag leest over DNA kom je ronkende teksten tegen over de ‘gouden eeuw van de medische biotechnologie’. Of ‘de menselijke soort kan verbeterd worden dankzij genetische engineering’. De mens wordt ‘een schepper naast God’ genoemd,vol eerbied en aanbidding van het meest verfijnde meesterwerk dat God ooit heeft gecreëerd: het DNA’.

Emeritus-hoogleraar Dorien Pessers (van wie deze citaten afkomstig zijn) zijn waarschuwt tegen het reduceren van de mens tot een ‘homo mechanicus, een reductie van de mens tot ‘een wetenschappelijk te analyseren en te modificeren object.’ En hoe uniek schrijft de Schepper over zijn schepping!

 

Psalm 8 is geboren uit een eindeloze verwondering. Een groots kunstwerk wordt beschreven. Een oneindig onbegrijpelijke schepping, met daarin een niks voorstellend nietig mensje. En dat nietig mensje blijkt plotseling een superieure plaats in die schepping in te nemen! Het is alsof een groot Kunstenaar een beschrijving en een duiding geeft van zijn kunstwerk. Een kunstwerk waarmee Hij heel tevreden is! De Kunstenaar beschrijft de mens als oneindig waardevol (: 6) en heeft hem bestemd om rentmeester te zijn (: 7). Psalm 8 grijpt duidelijk terug op Genesis 1: 27: God schept de mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.

 

Als wij – mensen van vandaag – vervolgens in ons eigen leven rondkijken en ons afvragen wat wij er in ons eigen bestaan van waarmaken, valt de werkelijkheid ons denkelijk tegen. Weerspiegelen wij het beschreven kunstwerk? Bijna Goddelijk? Dachten we toch niet, eigenlijk.

 

Als wij ons op onze eigen menselijke basis opstellen is er van dat ‘bijna goddelijke’ niet zoveel te bespeuren. Maar is dat wel de basis waarop wij staan? Of heeft de Kunstenaar een compleet andere basis aan ons mensen gegeven? Hebreeën 2: 9, 10: wij richten onze blik op Jezus die maar weinig bij engelen is achtergesteld, maar dóór de dood die hij te lijden kreeg héén -opdat hij voor állen de dood zou proeven- met heerlijkheid en eer gekroond is. Want het betaamde hem om wie alle dingen zijn en door wie alle dingen zijn, dat hij vele zonen tot heerlijkheid zou leiden en zo, door al wat hij te lijden kreeg, ten volle de leidsman van het heil zou zijn.

Als wij op vakantie in een fraai landschap op grote afstand een mooi bouwwerk zien, blijkt dat van dichterbij soms een bouwval. God kijkt naar ons niet als naar ploeterende en falende mensjes. Als Hij naar ons kijkt, ziet Hij zijn Zoon, en door die Zoon heen ons. Vanuit ons eigen menselijke standpunt is dat volkomen onmogelijk en volstrekt onbegrijpelijk. God heeft een bouwbesluit uitgevaardigd waarin (Efeze 2: 20, 21) wij gebouwd zijn op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is op wie heel dat welsaamgevoegde gebouw uitgroeit tot een heilige tempel, in de Heer.

 

En dat bouwbesluit is nog niet alles. God schiep miljarden unieke mensen. En voor al die unieke mensen heeft God een unieke bestemming. Een bestemming die Openbaring 2: 17 als volgt beschrijft: aan de overwinnaar: …. ik zal hem een witte steen geven, en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan die hem aanneemt!

 

Wit was de kleur van de gratie. Soms verleende de Romeinse keizer gratie aan ter dood veroordeelden. Er ging dan een zak rond met tien stenen: negen zwarte en één witte. Wie de witte pakte wist dat het leven voor hem lag. En op die steen schrijft God een unieke naam. Een naam, die alleen Hij begrijpt die ons gemaakt heeft en hij die hem ontvangt. En ik maak me sterk dat als Hij die naam opgeschreven heeft, Hij een pas terugdoet en zal zeggen in de geest van psalm 8: ‘zo is het goed, zo was je bedoeld, zo had Ik je gedacht.’ God creëert geen kopieën, maar originelen. Ieder mens apart zal zich opgenomen weten in het grote orkest van Gods nieuwe mensheid. Geen twee instrumenten gelijk. Allen uniek om zo gezamenlijk het magistrale concert aan te heffen waarmee we God zullen prijzen. Hij gaf allen een naam en aan ieder een ander. Wie Jezus toelaat in zijn leven, die wordt niet van zijn persoonlijkheid bevrijd maar vindt zijn eigenlijke persoonlijkheid!. Hij verliest zijn oude naam en krijgt er een nieuwe voor in de plaats. Een naam die ons onszelf doet kennen zoals we nu reeds door Hem gekend zijn.

 

Weinig laat ge hem ontbreken, of hij is God,

met glorie en luister wilt gij hem kronen.

Psalm 8: 5, 6