Preek zondag 18 februari 2018


Zie, hoe goed en hoe lieflijk, als broeders ook zetelen in eendracht

 

Discipelen van Jezus zijn soms net mensen. In Markus 10: 35 – 45 lezen we over de zonen van Zebedeüs – Jacobus en Johannes – die Jezus vragen om een blanco cheque: wat wij willen is dat u voor ons zult doen wat wij u gaan vragen! Is dat niet ongepast en nogal brutaal? De reactie van Jezus is gek genoeg niet afwijzend: wat wilt ge dat ik voor u doen zal? Laat eerst maar eens horen wat je op je lever hebt. En dan komt de aap uit de mouw: geef ons dat wij, één rechts van u en één links, mogen zetelen in uw glorie!

 

Jantje keek tijdens de kerkdienst steeds naar het gebrandschilderde raam waar het licht doorheen scheen. ‘Wat is dat?’ vroeg hij na afloop aan zijn moeder. ‘Dat zijn heiligen’ zei ze.

De andere dag vroeg de jufvrouw op school ‘wie weet wat heiligen zijn?’ Jantje: ‘dat zijn mensen waar het licht doorheen schijnt.

 

Maar dan de reactie van Jezus op die vraag. Hij zegt niet: dat is een ongepast verzoek van jullie, want daar is jullie plaats niet als discipelen, als christenmensen op de rechterstoel, in mijn heerlijkheid. Jezus antwoordt: ge weet niet wat ge vraagt!– Dat wil zeggen: jullie beseffen niet wat dat verzoek inhoudt en wat het betekent. En direct daarop verduidelijkt Jezus dat door aan de discipelen te vragen: zijt ge bij machte de drinkbeker te drinken die ík drink of gedoopt te worden met de doop waarmee ík gedoopt word? Met het zitten te rechter en te linkerzijde van Jezus in zijn heerlijkheid is immers het kruis gemoeid. Weet dat, besef dat! Vandaar: ge weet niet wat ge vraagt!-. Want die uitdrukking ‘te rechter- en te linkerzijde’ krijgt een haast huiveringwekkende diepte als die nog een keer terugkomt bij Marcus – als enige keer – namelijk in het kruisigingsverhaal, waar staat (Markus 15: 27): Samen met hem kruisigen ze twee rovers, één rechts en één links van hem.

 

De Messias-koning regeert vanaf het kruishout en zijn heerlijkheid licht op vanuit zijn lijdensgestalte.

Vragen die discipelen daarom? Willen zij zó, op die manier regeren en oordelen met Jezus? Willen en kunnen zij die weg met hem gaan?

Is het onwetendheid? Overmoed? De twee discipelen antwoorden: wij zíjn bij machte!. En merkwaardig: ook dan wijst Jezus hen af en bestraft hen niet. Hij antwoordt: de drinkbeker die ík drink zult ge drinken, en met de doop waarmee ík gedoopt word zult ge worden gedoopt,

 

Uit de geschiedenis is bekend hoezeer Jacobus en Johannes hebben geleden als volgeling van hun Heer. En ook vandaag de dag lezen we de gruwelijke verhalen van christenvervolgingen in andere werelddelen. En lezen we over de onbegrijpelijke moed die deze gelovigen ten toon spreiden. Het volgen van Jezus is een zaak die positief weegt, alle vervolging des ondanks.

 

Als je het zo bekijkt hadden beide discipelen het misschien toch niet helemaal verkeerd begrepen!

Als de andere tien discipelen horen van de vraag van Jacobus en Johannes zijn ze woest. En jaloers. Die voorrechten willen zij natuurlijk ook wel. Ze voelen zich zwaar tekort gedaan.

 

En dan roept Jezus alle twaalf discipelen bij zich. Hij laat ze zien dat ze alle twaalf niet begrijpen hoe het toegaat in het Koninkrijk der Hemelen. Hier op aarde wil iedereen belangrijk gevonden worden (: 42):. Ge weet dat zij die denken te regeren over de volkeren hen overheersen en dat hun groten hun macht op hen botvieren; Maar in Gods koninkrijk kom je niet om te láten dienen, maar om de dienen. En hij is zelf het ultieme voorbeeld (:45): want ook de mensenzoon is niet gekomen om bediend te worden nee, om te bedienen en zijn lijf-en-ziel te geven als losprijs voor velen! Met gebruik van macht zit je in Gods koninkrijk altijd fout.

 

Een heilige: daar schijnt het licht doorheen. Het licht van Gods koninkrijk. Dan moet je dienaar (willen) zijn. Iedereen op haar of zijn eigen plek. En op haar of zijn eigen manier. Naar de roeping waarmee we geroepen zijn. Naar het voorbeeld van de Hebreeuwse slaaf in Deuteronomium 15. Die had alle recht om na zes jaar als vrij man te vertrekken. Maar er waren er die zeiden (Deut. 15: 16): ik ga niet van jou weg,- omdat ik jou en je huis heb liefgekregen, En die man wordt dan een dienaar voor eeuwig. Dat is een profetie over de heer Jezus. Dat is ook onze opdracht. Dienen. In Gods koninkrijk.

 

daar heeft de Ene geboden de zegen, leven tot in der eeuwigheid.

Psalm 133