Preek zondag 7 januari 2018


‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam.

Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan.

 

In het evangelie naar Johannes spreekt Jezus vaak over wie Hij is; bij de andere evangeliën gebeurt dat veel minder. Vanaf de eerste passages wordt volstrekt duidelijk dat Jezus een Persoon van de drie-ene God zelf is. God zelf dus. De aanhef ‘Ik ben’ komt in dit evangelie vaak voor; hieronder zeven heel bekende voorbeelden – met naamwoordelijk gezegde – daarvan:

 

  • ík ben het brood des Levens (Johannes 6:35)
  • ík ben het licht van de Wereld (Johannes 8:12)
  • ík ben de deur (Johannes 10:9)
  • ík ben de goede Herder (Johannes 10:11,14)
  • ík ben de opstanding en het Leven (Johannes 11:25)
  • ík ben de weg, de Waarheid en het Leven (Johannes 14:6)
  • ík ben de wijnstok (Johannes 15:1,5)

 

Jezus claimt hier als Gods zoon zijn unieke positie. Daarom staat er ook steeds een bepaald lidwoord (‘de,’ en ‘het’) en niet een onbepaald (‘een’). Niets en niemand is de gelijke van Jezus: zijn naam is boven alle naam. In de Nederlandse vertaling gaat verloren dat het Grieks soms een dubbele vermelding van het woord ik kent; de Naardense vertaling geeft dat weer met een accentteken op de i: ”ík”. Hiermee wordt de exclusiviteit van Jezus’ positie onderstreept.

 

In het bekende twistgesprek met de Farizeeën in Johannes 8 windt Jezus er geen doekjes om dat Hij de Zoon van God en dus God zelf is. De toehoorders zijn woest en willen Hem stenigen! 54 Jezus antwoordt: als ík mijzelf verheerlijk is mijn heerlijkheid helemaal niets; het is mijn Vader die mij verheerlijkt, van wie u zegt ‘hij is onze God’; 55 en ge hebt hem niet leren kennen, maar, ík weet wie hij is!- en als ik zeg dat ik van hem niet weet zal ik gelijk zijn aan u: een leugenaar; nee, ik weet wie hij is en zijn woord bewaar ik; 56 vader Abraham juichte toen hij mijn dag zou zien en hij heeft die gezien en was verheugd! 57 Dan zeggen de Judeeërs tot hem: u bent nog geen vijftig jaar en hebt Abraham gezien? 58 Jezus zegt tot hen: amen, amen, ik zeg u: van éér Abraham geboren werd ben ík!

 

In Openbaring 22: 13 zegt Jezus ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde; Hij staat aan her begin en aan het einde der tijden; Hij is God in eigen persoon.

 

De aanduiding ‘Ik ben’ stamt uit het Oude Testament. Als Mozes (Ex. 3: 13, 14) door God naar de Israëlieten wordt gestuurd vraagt hij aan God welke naam hij kan noemen. Dan zegt God tot Mozes: ik zal er zijn, zoals ik er ben! Hij zegt: zó zul je tot de zonen Israëls zeggen: Ik-zal-er-zijn heeft mij tot u gezonden!

 

En hoe pregnant schrijft Jesaja (43: 25), met de herhaling van het woordje ik: Maar ik, ik ben het die je overschrijding wegwist, omwille van mijzelf,- je zonden zal ik niet gedenken;

 

Gods grootheid is onbevattelijk. En Jezus is niemand anders dan God zelf. Onnoemelijk nabij.

 

Hoger als mijn ogen dragen,

wijder als de winden jagen,

dieper als de diepe zee,

over al heerst God alleen:

een, drie-een, zelfstandig Wezen,

nu, toekomstig en voordezen

is God, was God altijd, en

eeuwig zal Hij zeggen: ‘k Ben.

 

Deze regels van Guido Gezelle – en het lied Ik zal er zijn van Sela, zie de YouTube link – wapenen tegen twijfel en tegen geleerde vertogen. De hoogte, de verte en de diepte uit de vier eerste regels hierboven zijn als gegroeid uit menselijke waarneming. De vier daaropvolgende schenken een sluitstuk dat ‘van boven’ komt, dat ons uit genade wordt geschonken.

 

Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:

uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.

Sela, Ik zal er zijn, live: https://youtu.be/3ydI3UNAyP0