Preek zondag 29 oktober 2017


Wie van deze drie is, denk je, de naaste geworden

van hem die aan de rovers toevalt?

 

De geschiedenis van de barmhartige Samaritaan is heel bekend. Als je zo voor de vuist weg een uitleg moet geven, dan komt het hier op neer: wij moeten worden als die barmhartige Samaritaan. Wij moeten ook goed doen.
Zo eindigt Jezus het verhaal toch ook: Ga heen, doe gij evenzo.
En meestal wordt dat dan ook gezien als de boodschap van onze tekst.

 

Is dat niet te simpel? Staat er wel (Lukas 10: 25 – 37) wat (we denken dat) er staat? Is dit wel een heel direct toepasbare les in naastenliefde? De wetgeleerde die een vraag stelde wist immers al lang dat hij zijn naaste moest liefhebben? Hij wil weinig anders dan die rondtrekkende rabbi die zoveel volk trekt eens aan de tand voelen. Wat stelt die persoon helemaal voor? Met de simpele vraag wat doende zal ik eeuwig leven beërven? denkt hij Jezus uit de tent te lokken. Maar dat loopt eventjes anders. “Jij bent de wetgeleerde” zegt Jezus,”jij weet het antwoord vast zelf wel”. En de wetgeleerde is niet zo goed of hij lepelt de wetstekst (Deut. 6,5 ‘liefhebben zul je de Heer je God, vanuit heel je hart, met heel je ziel, met al je kracht’ en Lev. 19,18 liefhebben zul je je naaste, zoals jezelf!- ) foutloos op. De mensen eromheen hoor je denken “wat was dat nou voor een vraag. Had je dat zelf niet kunnen verzinnen? De wetgeleerde wenst onder geen beding af te gaan en bedenkt om zijn gezicht te redden een vervolgvraag: en wie ís mijn naaste?

 

En dan begint de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Jezus keert alles om. Het gaat er niet om dat de wetgeleerde inziet wie zijn naaste is. Het gaat erom dat hij 1) inziet wie hijzelf is en 2) wie Jezus is. Jezus vertelt een soort “wie-is-wie” verhaal. Welke rol speelt de wetgeleerde? Is hij de priester? Of de leviet? Nou, vast niet! Wetgeleerden en priesters konden slecht met elkaar opschieten. En dat gold ook voor de hulpjes van de priester, de levieten. De leviet volgt de priester in zijn “wegwezen hier, te gevaarlijk” houding. Is de volgende passant misschien een wetgeleerde? Niets is minder waar: het is een verachtelijke Samaritaan. Een buitenlander. Iemand met een verkeerd geloof.

 

En uitgerekend deze Samaritaan is met ontferming bewogen.
Uitgebreid vertelt Jezus wat die man allemaal doet. Louter werkwoorden: hij werd met ontferming bewogen, ging naar hem toe, hij verbond zijn wonden, hij goot er olie en wijn op, hij zette hem op zijn eigen rijdier, hij bracht hem naar de herberg, hij verzorgde hem, hij betaalde voor hem. De Samaritaan is de énige in de hele gelijkenis, die actief is, die iets doet.

 

Jezus legt in zijn verhaal de Jood, de wetgeleerde langs de kant van de weg. In elkaar geslagen. Meer dood dan levend. Kansloos. Als er geen hulp komt opdagen gaat hij dood. En dan komt de Samaritaan. En die helpt de Jood. De wetgeleerde. Ach, waren dat wij niet? / Ach, ik niet? ach, jij niet? (uit: Tweespraak, Martinus Nijhoff).

 

Jezus draait de oorspronkelijke vraag van de wetgeleerde wie ís mijn naaste? honderdtachtig graden om. Jezus vraagt de wetgeleerde Wie van deze drie is, denk je, de naaste geworden van hem die aan de rovers toevalt: Wie is het, die mij liefheeft?
Wie is het, die mij helpt, als ik totaal hulpbehoevend blijk te zijn? Wie is het die mij uit de goot haalt? Die mij weer opricht, als ik halfdood ben? Wie is het die mij verzorgt, die mij geneest?
De wetgeleerde had vanuit de hoogte gevraagd: naar wie moet ik omzien, vanuit mijn riante positie?
En Jezus legt hem neer, maakt hem machteloos. Hij laat hem nadenken over de vraag: wie zal er naar MIJ omzien? Wie zal MIJ weer op weg helpen, als ik onderweg tegen de vlakte ben gegaan? Als ik ontdekt heb dat ik niks meer kan? Als ik geen praatjes meer heb?

 

Het antwoord is ondanks alles prachtig. Het simpele “de Samaritaan” krijgt de wetgeleerde niet uit zijn strot. Hij zegt die hem de ontferming heeft betoond! Woorden die zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament alleen voor God en de Heer Jezus worden gebezigd. De Samaritaan – de Heer Jezus – is God zelf!

 

Deze gelijkenis leert ons niet dat we humaner moeten zijn. Dat wisten we allang. We kunt zo misplaatst tevreden zijn met onszelf. En bedenken, wat wij als edele mens kunnen betekenen voor de kerk en de wereld. De arrogantie komt soms om de hoek kijken.
Wij staan liever bekend als weldoener, als iemand die altijd voor anderen klaar staat, dan als iemand, áán wié welgedaan moet wórden, als iemand die uit de góót gehaald moet worden.
In de gelijkenis van de Samaritaan zet, nee légt Jezus ons op onze plaats.
En Hij laat ons even heel stevig weten, dat we ons lelijk kunnen verkijken, op onszelf, en op Hem.

 

De priester had een volgeling: de priester ging voorbij, evenzo de Leviet. En die Samaritaan, heeft die ook een volgeling, iemand die in zijn voetsporen treedt? Jezus zei tot de wetgeleerde: “ga voort en doe jíj evenzo!.” En dat is onze opdracht. Barmhartigheid als opdracht, als richtsnoer voor ons christenelven.

 

hij zegt: die hem de ontferming heeft betoond!