Preek zondag 17 september 2017


Hij zegt: vrees niet,- want die bij ons horen

 

De kranten staan er vol van. Het journaal en de nieuwsrubrieken raken er niet over uitgepraat. Wapens zijn er alom. Hamas en Fatah gebruiken ze. Boko Haram en Noord Korea ontlenen er hun kracht aan.

En dan gaan wij ook nog eens nadenken over een wapenrusting. Een geestelijke wapenrusting, dat wel. Tegen wie gaan we daarmee vechten? Tegen medechristenen met wie we van mening verschillen? Nee toch zeker? Dat is niet een geestelijke strijd zoals Paulus die in Efeze 6: 10 – 20 omschrijft. Paulus stuurt zijn brief – een rondzendbrief – aan de gemeenten in de Romeinse provincie Asia; Efeze is daarvan de hoofdstad. Paulus benadrukt in de brief dat de redding van de gelovige ligt in zijn verbondenheid met Christus. In hoofdstuk vier (tweede deel) en vijf staan allerlei praktische raadgevingen die hun grond hebben in het nieuwe leven met Christus. De afsluiting daarvan is in hoofdstuk zes, met de beschrijving van de geestelijke wapenrusting van de christen.

 

En ja: wij christenen hebben een strijd te voeren. En die is niet tegen elkaar! Drie hoofdvragen:

  1. Tegen wie of wat moeten we strijden?
    • Tegen allerlei “geestelijke machten” van buitenaf (: 12)
  2. Waarom moeten we strijden?
    • Opdat we weestand kunnen bieden en stand kunnen houden (: 11, 13)
  3. Hoe kunnen we in de strijd overeind blijven zodat we niet het onderspit delven?
    • Door de wapenrusting van God aan te trekken (: 11, 13)
    • Door de wapens ook te gebruiken
    • Door te bidden en te smeken (: 18)

 

Tegen wie strijden wij?

Soms redeneren wij als christenen wel heel erg simpel. Met vroomklinkende argumenten als “als God voor ons is, wie kan er dan tegen ons zijn?” Of ook “maar ik ben toch gelovig? Dan is het toch per definitie goed allemaal?

Dat zijn misverstanden. Een christen staat niet boven de strijd, zij/hij staat er middenin! En niet wij kiezen ervoor om te strijden! Dat doet de satan (“de uiteenwerper”). En de strijd die ons wacht is niet een fysiek lichamelijk gevecht, maar een geestelijke strijd. We strijden (:12) tegen de overheden, tegen de gezagsdragers, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, en tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Onze tegenstander is een geduchte en machtige vijand. Dat gevecht vindt niet plaats in cafés en biertenten op zaterdagavond. Maar eerder in de kerkbanken op zondagmorgen. Want daar verwachten we de tegenstander het minst, en dat weet hij! Daar staan we bloot aan de verleidingskunst van de duivel. De naam “uiteenwerper” geeft maar al te precies weer wie en wat hij is.

 

Waarom strijden wij?

Als gezegd: de keuze om niet te strijden hebben we niet!. Satan dringt ons de strijd op. En die strijd heeft een doel. In de verzen 11 en 13 is het kernwoord opdat ge kunt standhouden / weerstand kunt bieden. Met Jakobus 4: 7: weerstaat de uiteenwerper, dan zal hij van u vluchten;

Daar staat niet: val aan en sla erop los! We voeren een verdedigende strijd. Christus heeft als mens de macht van de duivel vernietigd (Hebr. 2: 14). Christus behaalde de overwinning en kan en zal ons te hulp komen. Wij strijden dus niet voor de overwinning. Die is al behaald! Wij strijden in onze beproevingen vanuit de reeds behaalde overwinning!

Daar hoort absoluut bij dat je de hele wapenrusting aantrekt, zo vat Paulus (:13) het nog eens samen. Want dan sta je sterk op de dag van het boze. Op de dag dat de satan je werkelijk geestelijk aanvalt. Want zo een aanval kan uit een volstrekt onverwachte hoek komen! En dan kunnen we alleen standhouden met inzet van alles (: 13). God verlangt van ons dat we strijden zoals Hijzelf dat ook deed en doet.

 

Hoe kunnen we staande blijven?

En als we nu eens moedeloos worden? Als we menen dat het allemaal teveel wordt? Dat al dat gestrijd toch niks helpt? Dan heeft Paulus een opdracht (: 10) weest krachtig in de Heer en in zijn sterke macht! Een opdracht, geen goed bedoeld maar vrijblijvend en onverplichtend advies. Of een tip waarmee je je voordeel zou kunnen doen. Iets van “baat het niet, het schaadt ook niet.” De hele wapenrusting moet aan. Paulus schetst het beeld van een Romeinse infanteriesoldaat met zijn hele uitrusting. Geen enkel onderdeel daarvan mag achterwege blijven. Want je moet op alles voorbereid zijn. Je weet niet waar de vijand je zal aanvallen. Zes uitrustingsstukken voert Paulus ten tonele.

 

De Gordel van de waarheid

In huis placht men de tunica zonder gordel te dragen. Maar buitenshuis – en zeker bij een naderend gevecht – werd de kledij tot boven de knieën opgetrokken en met een gordel vastgemaakt. Anders was actie zo goed als onmogelijk. Wij moeten Gods waarheid paraat hebben. We moeten God en zijn woord kennen. En dat kunnen toepassen, zoals de Heer Jezus dat deed bij de verzoeking in de woestijn: “want er is geschreven….”.

 

Het Borstharnas van de gerechtigheid

Zo’ pantser bestond uit leer, bekleed met metalen platen. Het beschermde de vitale delen van de borstkas en reikte tot op de heupen. Ons – nog steeds zondig – hart weerstaat de aanvallen van satan niet, behalve als we Gods gerechtigheid uit het geloof werkelijk bezitten. We moeten ons hart beschermen tegen alle aanlokkelijke verleidingen die er makkelijk bezit van nemen. De duivel is slimmer dan we denken en spiegelt ons fraaie dingen voor waar we intuinen. Als we het pantser niet dragen.

 

De Schoenen met de bereidheid voor de verkondiging van de vrede

De Romeinse infanterist droeg sandalen met stevige dikke nagels aan de onderkant. Die gaven grip en houvast in het gevecht. Zo moeten wij bestand zijn tegen de voetangels en klemmen die satan op ons pad brengt. Bedoeld om ons te laten uitglijden en struikelen. Met die schoenen:

  • zijn we voorbereid op de komende strijd. Want we kennen het evangelie van de vrede met God en we leven daaruit.
  • zijn we bereid om dat evangelie – die goede boodschap – ook door te geven. Ook als dat leidt tot vervolging of verdrukking. Of maakt dat we voor een achterlijk boertje worden aangezien.

Het Schild dat het geloof is

Het schild van de soldaat was van hout, bekleed met leer. Dat werd natgemaakt om brandende pijlen te doven. Zo biedt het persoonlijk geloof bescherming tegen de aanvallen van de vijand. En dat kan werkelijk alles zijn. Occulte zaken. Teleurstellingen die ons benauwen. Gedachten die ons kwellen. Het schild beschermt ons tegen beschadiging. En God zelf (Psalm 84: 10) is dat schild!

 

De Helm van het heil

De helm toonde het legeronderdeel waartoe de infanterist behoorde, zowel als zijn rang. Onze geestelijke helm laat zien dat wij bij God horen. Dat we strijden in Zijn vreemdelingenlegioen. Dat we – voormalige zondaars – een nieuwe identiteit in Christus hebben gekregen en Zijn kinderen geworden zijn. Als satan dan probeert ons valse redeneringen te laten aanhangen en ons drogredenen wil doen geloven, is ons hoofd daartegen beschermd in de dag van de strijd. Laten we oppassen: hoe hoger onze rang, hoe feller de aanvallen van de duivel!

 

Het Zwaard van de Geest, dat is: het woord van God

Als de duivel ons aanvalt moeten we hem van repliek dienen. Dan kunnen we het zwaard van de Geest hanteren: “want er is geschreven….”. We moeten dan wel Gods woord bestuderen en leren toepassen in de dagelijks praktijk. Want daar kan satan niet tegenop.

 

De kracht van het Romeinse leger zat ‘m niet in de individuele training van elke soldaat (al is die belangrijk!). Het leger won vele veldslagen doordat het als een getrainde gedisciplineerde eenheid optrad. Een duidelijk strijdplan had. En de tactieken van de vijand doorzag en wist te ontwrichten.

 

 

Als Paulus zo de hele wapenrusting van de infanteriesoldaat in geestelijke zin ten tonele heeft gevoerd sluit hij af met een paar geheime wapens die niet kunnen ontbreken (: 18) te aller stond biddend in de kracht van de Geest, en daartoe nachtwaken houdend met alle volharding en smeking voor al de heiligen,– Bidden, misschien wel juist als het rustig is in ons leven. Als er geen gevaar lijkt te dreigen en alles op rolletjes lijkt te lopen.

 

Want we moeten kiezen, en het is van tweeën één:

 

  • Of we bieden weerstand en houden vol
  • Of we laten ons ompraten en huilen mee met de wolven in het bos.

 

zijn talrijker dan die bij hen horen!

2 Kon. 6: 16