Preek zondag 14 mei 2017


als wij ontrouw zijn blijft hij trouw,

 

We zongen over “het eeuwige erbarmen, dat al ons denken overtreft.” Er zijn mensen die over dat “eeuwige erbarmen” een andere mening aanhangen. Onderstaand citaat komt uit NRC_Handelsblad van 4 mei 2017 (met kleine aanpassingen):

 

Uitspraken van Jezus die zelden worden geciteerd. De meeste mensen hebben het beeld dat Jezus alleen vredelievende dingen heeft gezegd, uitspraken die kenmerkend zijn voor het christendom. Zoals: „Als iemand je op de wang slaat, bied hem dan ook de andere wang aan.” Maar Jezus heeft ook allerlei heel nare dingen gezegd. Een voorbeeld, ontleend aan het Evangelie van Matteüs (Nieuwe Bijbelvertaling). „Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard” (10:34).

 

Twee dagen later verscheen er een reactie van een lezer die dit wel erg kort door de bocht vond. En vooral weinig recht doende aan de hele passage.

 

Ook lees je soms de overtuiging dat het Nieuwe Testament wel spreekt over Gods liefde, maar dat je in het Oude Testament (OT) daarvan weinig of niks bespeurt. Geboden en beschuldigingen van wetsovertreding vliegen je om de oren. Met de bijbehorende strafaankondigingen. Geen wonder dat in deze tijd van medemenselijkheid en de roep om verdraagzaamheid het christendom noga op z’n retour is.

 

Hier lijkt mij bij deze critici de wens de vader van de gedachte. In 2000 jaar geschiedenis heeft het christendom vaker zware en moeizame periodes doorgemaakt. Maar wie nu hoopvol profeteert dat het christendom op sterven na dood is miskent dat het vaker dan eens een reveil heeft gekend. Met een soortement parafrase op Jesaja 53: 1, 2: de arm van de Ene, voor wie is die ontbloot? Als een loot klom hij op voor zijn aanschijn, als een wortel uit dorre aarde. Wie denkt dat de aarde op het graf van het christendom nu wel goed vast is aangestampt zij gewaarschuwd. Voor je het in de gaten hebt barst de grond weer open!

 

In het OT lees je ook een aantal ontroerende passages waarin de God van de genade zich openbaart. Nogal eens middenin de gewraakte gedeeltes met verwijten en bestraffingen. Die laatste tref je bijvoorbeeld aan in Deuteronomium 28 – 31. En in het lied dan Mozes (Deut. 32) gaat het nog even door. Totdat in vers 26 er langzaam een keerpunt komt. En God zich barmhartig toont in de verzen 36 – 43. Hij zal Israel nooit verlaten! Gods genade breekt als een wortel door de dorre aarde heen met de juichende woorden Bejubelt, volkeren, zijn gemeente, want het bloed van zijn dienaars wreekt hij: met wraak keert hij terug bij wie hem benauwden, verzoening brengt hij over zijn –rode– grond, zijn gemeente!

 

Een tweede voorbeeld is veel emotioneler nog. God verkondigt dat Hij die Israel heeft verstrooid het ook weer zal samenbrengen en hoeden (Jer. 31: 10. En waarom doet God dat? Omdat Hij niet anders kan zo zegt Hij zelf! Jer. 31: 20: Is Efraïm mij een zoon zo kostbaar of zozeer het kind van mijn geluk, dat telkens wanneer ik tegen hem heb gesproken ik hem blijf gedenken en nogmaals gedenk?- daarom zijn mijn ingewanden in beroering over hem, ontfermen, ik moet mij over hem ontfermen!, is de tijding van de Ene. God heeft ooit Israel uitgekozen. Zijn liefde is onopgeefbaar. Wat zijn volk er ook van bakt: God kan Zijn liefde niet opgeven.

 

Die genade straalt ook vanuit de passage uit Hosea 11: 7 – 9: Gemeente van mij!- ze hebben zich opgehangen aan hun afkeer van mij; al roepen ze naar boven, eensgezind, hij zal hen niet verheffen!

God zweert hier dat hij Israëls lot nooit zal verlichten. Het volk zal zijn straf niet ontlopen. Maar dan blijkt ook hier – in het Oude Testament – dat God Liefde is:

 

Love is not love which alters when it alteration finds,[1]

 

Maar hoe kán ik je prijsgeven, Efraïm, kan ik jou uitleveren, Israël; hoe kan ik je prijsgeven als Adama, je neerzetten als Tsevojiem?- mijn hart zal zich in mij omdraaien, eensgezind zullen mijn barmhartigheden zich roeren. Ik zal niet doen naar de gloed van mijn toorn, ik zal niet terugkeren en Efraïm verderven; want een Godheid ben ik en geen mens,

 

Gods liefde zou in het Oude Testament niet de hoofdtoon voeren? Zijn “eeuwig erbarmen” gaat elk denken en voorstellingsvermogen te boven. “Dat iets onbegrijpelijk is, betekent nog niet dat het niet bestaat.” (Pascal)

 

want zichzelf verloochenen kán hij niet

[1] William Shakespeare, sonnet 116