Preek zondag 7 mei 2017


Ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen zij nacht

God, mijn God, zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht.

 

Onze spreker begint met zich voor te stellen. Hij groeide op in een serieus gereformeerde omgeving. Met veel ontzag voor God. Maar met weinig idee en beeld van Wie Hij werkelijk is. Toch groeide de nieuwsgierigheid naar God. De bijbel werd van voor naar achter en omgekeerd doorgelezen. En dat leidde tot vragen.

Tot de vraag in de mannenvereniging van de kerk: “Wie van jullie komt er in de hemel?” Grote schrik en lange stilte. Dan het voorzichtige antwoord “dat hopen wij.”

En daarmee nam onze spreker geen genoegen. Gods Woord leerde hem heel veel meer dan zo’n onzekerheid.

 

Kijk, een kerk is niet zo veel. Wie elke dag naar de McDonald’s gaat wordt geen hamburger. En wie dagelijks de kerk bezoekt is nog geen christen. Op rondreis langs vele kerken en denominaties werd duidelijk dat God zich overal laat vinden voor wie Hem eerlijk zoekt. En dat het er niet om gaat welke muziek er klinkt of wat de precieze vorm van de dienst is. Het gaat erom dat wij persoonlijk in ons leven ontdekken wie God is. En leren zien wat de Geest doet.

 

Daarom wil ik niks anders dan Christus prediken. Er is niemand als Hij. Als je zijn boodschap vertelt wordt je nogal eens aangekeken of je iets bijzonders gedronken hebt. Het is een boodschap waarom de meute lacht. Te gek voor woorden.

 

We leven vandaag de dag in de eindtijd. Alle ontwikkelingen richten zich op het moment dat Christus terugkeert om Zijn gemeente op te halen.

En tot dat moment aanbreekt geldt de tekst (Psalm 72: 11, berijmd) boven het orgel in de zaal:

 

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen,

 

Droevig genoeg lopen er door het hedendaags orthodox christendom een paar grote schisma’s waar we elkaar eerder bestrijden en afvallen dan dat we elkaar bemoedigen en helpen.

  • De opname van de gemeente
  • Israel
  • De Grote verdrukking

 

In de laatste boeken van het Oude Testament (OT) richt God zich tot Israel. Maar het heeft ook ons iets te zeggen, Rom. 15: 4: Want al wat tevoren werd geschreven, werd geschreven om ons te onderrichten, opdat wij door de volharding en door de troosttoeroeping van de Schriften de hoop vasthouden.

 

Eigenlijk zou je die drie boeken achtereen moeten lezen. Ze gaan over het heil voor Israël. Haggaï, waar de oproep tot herbouw van de tempel centraal staat. Zacharia die in de eerste acht hoofdstukken spreekt over de trouw van God aan zijn volk. Daarna volgen profetieën over een glorieuze eindtijd, maar ook wordt fel van leer getrokken tegen slechte leiders. In hoofdstuk 14: 4, 5 wordt de vlucht van Israël (“de vrouw”) uit Openbaring 12: 6 voorzegd.

 

We lezen uit het laatste Bijbelboek van het OT, Maleachi 2: 17 – 3: 6: 17Ge hebt de Ene met uw woorden vermoeid en dan nog durft ge te zeggen: waarmee hebben wij hem vermoeid?- alsof ge zegt:

al wie kwaad doet, is goed in de ogen van de Ene, in zulke mensen heeft hij behagen!, of: waar is de God van het recht? 1Zie, ik zend mijn bode die voor mijn aanschijn een weg bereiden zal; plotseling zal hij zijn tempel binnenkomen, de Heer die gij zoekt, de bode van het verbond in wie gij behagen hebt: zie, hij komt!, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde. 2Maar wie kan de dag van zijn komen áán,

en wie blijft staande als hij zich laat zien?- want hij is als het vuur van de smelter en als de loog van de blekers. 3Hij zal zich neerzetten als wie zilver smelt en reinigt, hij zal de zonen van Levi reinigen en hen louteren als goud en als zilver; worden zullen zij voor de Ene brengers van een broodgift in gerechtigheid. 4Een broodgift van Juda en Jeruzalem zal voor de Ene aangenaam zijn,- als in de dagen van eeuwig en in voorliggende jaren. 5Naderen zal ik tot u ten gerichte en wezen zal ik een haastige getuige tegen de gifmengers en vreemdgangers, en tegen wie bedrieglijk zweren; tegen de verdrukkers van een huurloon-huurling, een weduwe en een wees, en tegen wie een zwerver-te-gast   opzij dringen en mij niet vrezen, heeft gezegd de Ene, de Omschaarde.6Want ik, de Ene, ben niet veranderd,- en gij, zonen van Jakob, zijt ook niet opgehouden:

 

Maleachi maakt de boodschap van de drie profeten het meest persoonlijk. Met name ook in de vorm van de dialoog die het boek kenmerkt. Als God hen bijna emotioneel toeroept “jullie houden met Mij geen enkele rekening meer en verachten Mij”, dan antwoordt Israel koeltjes en onaangedaan dat ze dat anders zien en zich er niet in herkennen: “waarin hebben wij dan uw naam geminacht?” En die dialoog met als antwoord “leg ons dat dan nog maar eens uit dan, want we zijn het er niet mee eens” komt nog een flink aantal keren voor.

 

God is niet veranderd en Israel is niet vernietigd. God kan zichzelf niet verloochenen. Hij zal zijn eenmaal verklaarde liefde nooit terugnemen.

 

Maar wat is ons antwoord op die liefde? Onheilige offers (1: 8)? Een offer is het brengen van een geschenk. Een geschenk waarin we de ”schinker aller goeds” eren en bedanken. Waarin we onszelf Hem toewijden. Waarin één noot met ons hart gezongen meer waard is dan duizend die we onnadenkend produceren. Waarin het erom gaat onszelf als een spijsoffer aan God aan te bieden.

 

Het is toch verbluffend dat Israel, nadat ze de grootste redding hebben meegemaakt uit de meest onmogelijke positie, binnen de kortste keren weer terug wil naar de vleespotten Egypte. Num. 11: 5: Wij gedenken de vis die we in Egypte aten, kosteloos!- de augurken, de meloenen, de prei, de uien en de knoflook!

 

Dat gevaar bedreigt ons allen. Staat God en Hij alleen centraal in onze lofprijzing? Of gaat het toch ook om de muzikale en theologische structuren waarin een en ander zich afspeelt?

 

Wat we ook steeds meer zien is de roep om een wereldkerk, met een alles omvattende religie. Dat is niet het Bijbelse geloof, maar de theologie van de antichrist! Alle dingen in de wereld beginnen zich samen te voegen. De tijd van een onheilige eredienst en onheilige priesters breekt aan. (Mal. 2: 7).

 

Opmerkelijk ook dat Maleachi een lans breekt voor weduwen en vreemdelingen. Vandaag de dag niet zo heel populair om daarover te beginnen. Maar in Gods koninkrijk – en daarin staan wij! – is die zorg die we heel persoonlijk kunnen uitoefenen werkelijk van doorslaggevend belang.

 

En dan de opname van de gemeente. We lezen Openbaring uit Openbaring 3 de brief aan Filadelfia (Op. 3: 7 – 13). Over de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en hij sluit en niemand zal openen: Woorden die de geschiedenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden in herinnering brengen. Ze verschilden op het eerste oog in zo goed als niks: ze gaan allemaal de bruidegom tegemoet. Ze hebben allemaal een lamp. Het enige verschil zat ‘m in de hoeveelheid olie die ze hadden meegenomen. En wij? Klampen wij ons vast aan de Geest die levend maakt? Of geloven we het wel?

 

Filadelfia is de enige gemeente van de zeven die worden beschreven die geen berisping krijgt. En wie overwint wacht een grootse beloning. Die overwinning ligt vast. Lift vast boven onze gevoelens van mislukking en vernedering. Want God is oneindig veel groter en machtiger dan wat ons op aarde ook maar kan overkomen of bedreigen.

 

6Want ik, de Ene, ben niet veranderd,- en gij, zonen van Jakob, zijt ook niet opgehouden: Dan geldt toch ook voor ons: hoe veilig kun je zijn? Hoe goed kun je het hebben? Op. 3: 11, 12:

 

11ik kom spoedig; houd vast wat je hebt, opdat niemand je kroon wegneemt; 12wie overwint, hem zal ik maken tot een pijler in de tempel van mijn God en daar zal hij nooit meer uit gaan, en ik zal op hem schrijven de naam van mijn God en de naam van de stad van mijn God -van het nieuwe Jeruzalem dat neerdaalt uit de hemel van mijn God- en mijn nieuwe naam;

 

Moet ik lang zijn hulp verbeiden, zijne liefde blijft mij leiden:

door een nacht, hoe zwart, hoe dicht, voert Hij mij in ’t eeuwig licht.