Preek zondag 16 april 2016


Want sinds hij gestorven is,

is hij gestorven voor de zonde, – eens-en-voor-al;

 

Het lijden van de Heer Jezus wordt in de Bijbel meerdere malen voorzegd. Een van de meest bekende en ook meest indringende passages is wel het drieënvijftigste hoofdstuk van de profeet Jesaja. We lezen de verzen acht en negen:

 

8Na opsluiting en berechting is hij meegenomen, en zijn generatie, wie bekreunt zich daarover? Nee, hij is afgesneden van het land der levenden, vanwege de overtredingen van zijn gemeente trof hem een plaag, 9gaf men bij boosdoeners hem een graf, bij een rijke, in zijn dood,- hoewel hij geen geweld heeft gepleegd en er geen bedrog was in zijn mond.

 

De voorzegging (9a) dat het voornemen was om de Dienstknecht bij de boosdoeners te begraven terwijl hij een graf bij een rijke zou hebben is als we het in Jesaja lezen wat paradoxaal. Maar in het licht van het Nieuwe Testament begrijpen we het toch wel. Gekruisigde misdadigers kregen geen fatsoenlijke begrafenis. Hun lijken werden naamloos in een massagraf gedumpt. Maar (Matth. 27: 57 – 60): Als het schemerig wordt komt een rijk mens uit Arimatea aan, wiens naam Jozef is, die ook zelf leerling van Jezus is geworden; híj komt bij Pilatus en vraagt om het lichaam van Jezus. Dán beveelt Pilatus dat het zal worden afgegeven. Jozef neemt het lichaam af, wikkelt het in zuiver linnen en legt het in zijn nieuwe gedenkplaats die hij heeft uitgehakt in de rots. Hij wentelt een grote steen voor de poort van het graf en gaat weg.

 

Kruisiging was een zeldzaam pijnlijke foltering. Indien een slachtoffer niet met touw aan het kruis gebonden werd, werd deze met spijkers of nagels aan het kruis vastgeslagen. Deze nagels konden wel 13 tot 18 centimeter lang zijn en een vierkante centimeter breed. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt (en ook op veel schilderijen en crucifixen is afgebeeld), werden deze nagels niet door de handpalm heen geslagen, maar door de pols. De spijkers werden als ze door de pols gingen langs de zenuwen geslagen, waardoor het optrekken of opduwen zeer pijnlijk was doordat de spijkers direct langs de zenuwen schuurden. In de voeten werden werd de spijker door de hiel van beide over elkaar heengelegde voeten geslagen.

 

De voorzegging van die foltering lezen we in Genesis 3: 11 – 15:

 

14Dan zegt de Ene, God, tot de slang: omdat je dat gedaan hebt, vervloekt jij, anders dan alle gedierte en alle wildleven van het veld zul je op je buik voortgaan en stof zul je eten, al de dagen van je leven!- 15en vijandschap zal ik zetten tussen jou en de vrouw, tussen jouw zaad en haar nazaat; hij zal jou voor het hoofd stoten, jíj zult hem bijten in de hiel.

 

Nog een treffend detail uit de heilsgeschiedenis. Als Maria in Johannes 20 het graf van haar Zoon bezoekt wordt dat als volgt gedocumenteerd: 11Maar Maria is blijven staan bij de gedenkplaats erbuiten,- weeklagend na haar weeklacht dan bukt zij naar de gedenkplaats 12en aanschouwt hoe daar twee engelen zitten in witte (gewaden), één bij het hoofdeind en één bij de voeten, daar waar het lichaam van Jezus heeft gelegen.

 

Die beide engelen bij het graf nemen de positie is van de twee engelen die in de ark met het massief gouden verzoendeksel uit een stuk goud gedreven waren. De Heer Jezus zelf is dat verzoendeksel. Daarop druppelde het bloed van het offerlam door de hogepriester, eens per jaar. Opdat God bij Zijn volk zou kunnen (blijven) wonen. De diepe inhoud van het evangelie weerspiegelt zich hier in het Oude Testament.

 

En in vers zes van Johannes 20 luidt het: en ook de zweetdoek die op zijn hoofd geweest is,- dat die niet bij de lijkwindsels ligt nee, apart, opgerold op één plek.

 

Toen Johannes het graf inkeek zag hij een lijkwade die leeg was! Wel windsels, geen lichaam! Met een aparte plek voor de zweetdoek. Waarom? Als je slecht eet in een Joods restaurant maak je dat kenbaar door je servet opgerold boven je bord te leggen. “Hier kom ik nooit weer” is de boodschap. En Jezus’ opstanding is eenmalig en voor eeuwig!

 

sinds hij leeft, leeft hij voor God.

Rom. 6, 10