Preek zondag 9 april 2017


mijn kinderen voor wie ik opnieuw barensweeën doorsta

 

Het zesde vers uit 2 Kor. 4 is heel bekend. En toch ook raadselachtig, bij nadere beschouwing:

Want de God die gezegd heeft ‘uit het duister zal licht schijnen’, (Gen. 1,3) is het die heeft geschenen in onze harten,- tot verlichting met de kennis van Gods heerlijkheid in het aangezicht van Christus.

 

Hoe kan een tekst uit Genesis 1 nu iets zeggen over Christus? Het derde vers van de bijbel gaat over de situatie dat de hemel en de aarde waren geschapen en verder nog helemaal niks. De aarde en de hemel waren nog niet af. En van de mens was nog helemaal geen sprake. Laat staan van de zondeval. En toch is er al sprake zegt Paulus van Gods heilsplan. Maar dat heilsplan was toch pas nodig toen de mens had gezondigd? De mens valt in een onbezonnen ogenblik in zonde en God is er vervolgens eeuwen druk mee bezig om de zaak weer vlot te trekken. Een vlugge zonde en een schier eindeloos herstel. Sinds Augustinus gaat het in het westerse christendom in de eerste plaats om de zonde en de oplossing ervan. Wij westerlingen beginnen bij Genesis 3.

 

De Oosterse kerk begint bij Genesis 1. De mens is een schepsel van God. En die mens moet tot ontplooiing worden gebracht. Die theologie kent drie kernen:

  • Het eerste en grote doel is de heerschappij van de mens. Die moet tot volle werkelijkheid komen. Dat is wat de bijbel het Koninkrijk van God noemt. Aan de tweede Adam wordt die heerschappij toevertrouwd. Jezus zal als Koning heersten. En wij met Hem.
  • De mens is geschapen naar het beeld van God. De Heilige Geest wil ons omvormen (Matth. 5: 48): weest gij dus volmaakt (Deut. 18,13), zoals uw hemelse Vader volmaakt is!
  • God schiep de mens als man én vrouw. In hen samen wordt God weerspiegeld. Man en vrouw zijn beiden pas compleet samen met de ander. En in het koninkrijk van God zal naast de ‘laatste Adam’ ook een ‘laatste Eva’ staan, de gemeente, de bruid van Christus, die Zijn lichaam is.

 

In deze Oosterse manier van kijken wordt nergens over zonde of over de oplossing van het zondeprobleem gesproken. Het doel van God is zijn Gemeente en die gemeente bestaat uit beelddragers van God c.q. van Christus en deze zullen samen met Christus tot in eeuwigheid heerschappij oefenen (vgl. Openbaring 22:5).

 

Maar hoe dan aan te kijken tegen de zondeval, die er toch wel degelijk geweest is? Heeft de zondeval God verrast? Of heeft God de zondeval misschien zelf geënsceneerd? Niks van dat alles. De zondeval van ons mensen is onze eigen verantwoordelijkheid. Maar God gebruikt deze gebeurtenis wel om de mens op een hoger plan te brengen, een plan dat zonder de zondeval nooit bereikt had kunnen worden. Het beeld van God wordt in de mens bewerkt en verwerkelijkt door een lang en moeizaam leerproces, waarin de zondeval een belangrijke rol speelt.

 

De geschiedenis van Adam en Eva begint niet met een heilige, rechtvaardige mens. De geschiedenis begint met een onschuldige mens, die tegelijk zo onwetend is als een baby. Adam was een onbeschreven blad. Hij wist van toeten noch blazen. Hij was naïef en volstrekt onwetend. Door te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad (goed én kwaad), leerde hij het kwaad en daarmee ook het goed kennen. En daarmee startte een lang leerproces, op gericht (Ef. 3: 19) om de alle kennis overtreffende liefde van de Gezalfde te kennen, opdat ge vervuld moogt worden tot aan heel de volheid van God. En dat is veel meer dan Adam en Eva in het Paradijs hadden. God brengt de dingen niet terug in de oude staat. Maar Hij tilt de heilsgeschiedenis op tot veel grotere hoogte. Het is als een spiraal die eindigt in een volmaakte wereld waarin de mens kennis heeft van goed en kwaad en is wat Adam niet was, namelijk heilig en rechtvaardig. Via deze weg wordt een situatie bereikt waarin de mens niet meer opnieuw in zonde kan vallen. Het gaat dus niet om een herstel van Genesis 2, want het paradijs was slechts een schaduw van wat in de voleinding werkelijkheid wordt.

 

In het heil en in de rechtvaardiging die God bewerkt voor (Rom. 3: 26): wie leeft uit het geloof van (let op: niet ‘in’) Jezus draait het om zoveel meer dan om ‘zonde en genade’. Het gaat God om Christus. En dan niet alleen om wat Christus als Verlosser gedaan heeft, maar vooral ook om hoe Christus in zijn volgelingen gestalte krijgt. Met Rom. 8: 29: omdat wie hij tevoren heeft willen kennen hij ook tevoren heeft bestemd tot mede-gestalten van het beeld van zijn zoon, opdat deze zal zijn eerstgeborene onder vele broeders-en-zusters. Natuurlijk gaat dat uit van de principiële afwezigheid van zonde. Maar de heilsgeschiedenis ziet dat laatste als resultaat, als gevolg. Niet als postulaat, als vooropgesteld (eind)doel. Rechtvaardiging is zoveel meer en formidabeler dan vrijdom van zonde alleen!

 

totdat Christus in u gestalte heeft gekregen.

Gal. 4: 19