Preek zondag 2 april 2017


de bazuin zal schallen en de doden zullen worden opgewekt

 

Als een meisje en een jongen tot over hun oren verliefd op elkaar zijn kijken ze uit naar de tijd dat ze werkelijk voor altijd bij elkaar zijn. In de verlovingsperiode beloven ze elkaar dat er geen ander is voor wie ze nog dergelijke gevoelens hebben. De manier waarop ze hun leven inrichten, hun bestedingspatroon en heel wat andere zaken richten zich steeds meer op de situatie waarvan hun hart helemaal vol is: altijd samen zijn in het huwelijk. En ook als de omstandigheden eens even tegenzitten doet dat aan het vooruitzicht niet af. De vreugde om de toekomstverwachting blijft.

 

Zoiets wacht ons als christenen ook. Wij christenen zien vooruit naar een toekomst waarin we voor eeuwig bij onze Heer zullen zijn. Hoe ons feitelijk leven er vandaag de dag ook voorstaat, als christen hebben we die zekere en volhardende verwachting.

 

Laten we naar een stukje uit het nieuwe testament kijken dat – als een album uit de tijd dat we nog niet getrouwd waren – de vreugdevolle verwachting weerspiegelt van wat komen gaat.

 

In dat stukje gaat het om Paulus die schrijft aan mensen die met vragen zaten over de terugkomst van Christus. Of misschien ook wel om het weer opfrissen van wat ze eigenlijk al wel wisten, maar wat hen niet meer zo helder voor ogen stond.

 

We lezen 1 Thessalonicenzen 4: 13 – 18; 5: 1 – 11.

 

Geloofden de mensen in Thessalonica niet in de opstanding? Dat deden ze absoluut wel. Christenen in die tijd noemden hun begraafplaatsen ook wel “slaapplekken” om aan te geven dat het een tijdelijk verblijf was. De christenen in Thessaloniki voelden zich onzeker over de positie van de gelovigen die al overleden waren. Zouden die ook met Jezus worden verenigd bij zijn wederkomst? Of zouden ze moeten wachten tot de laatste opstanding, aan het einde der tijden? Griekse en Romeinse dichters in die tijd beschreven “hoop” als iets wat bij het leven hoort. “Doden zijn zonder hoop” zei Theocritus drie eeuwen voor Christus.

 

Paulus maakt duidelijk dat er inderdaad geen hoop is voor mensen die sterven zonder Christus te hebben aangenomen. Zij zijn echt dood. Maar voor gestorven christenen – in Jezus ontslapenen – geldt dat ze weer zullen leven omdat Christus opstond uit de dood.

 

Over de dood van Christus wordt nooit gesproken als sliep hij. Christus stierf werkelijk. En verrees in glorie. Er is dus een sterk contrast tussen de “slaap” van de gestorven gelovigen en de dood van Christus.

 

Paulus maakt zijn lezers dus duidelijk dat de gestorven gelovigen al bij Christus zijn als Hij de nog levende gelovigen komt halen! In 4: 15 zegt Paulus heel sterk dat hij een woord van de Heer citeert: wij, de levenden die achterblijven tot de komst van de Heer, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,

 

En dan schetst Paulus (4: 16) met grote kracht wat er staat te gebeuren:

 

  • Er klinkt een bevel gericht aan degenen die “in Christus zijn ontslapen”, zoals Jezus ooit met luide stem Lazarus uit zijn graf tot leven riep,
  • De stem van een aartsengel roept de victorie uit over de machten van de hel en de duisternis die op aarde regeren,
  • Gods bazuin klinkt en duidt aan dat er iets staat te gebeuren wat nog niet eerder was geopenbaard:

 

En deze drie onderscheiden zaken schetsen tezamen die ene grote gebeurtenis: de komst van de Heer voor Zijn Kerk, de Kerk die voor altijd met Christus verenigd zal zijn. Dat is de grote en unieke hoop van de Kerk: voor altijd samen met haar Bruidegom!

 

De gebeurtenissen zullen in vaste orde plaatsgrijpen:

 

  • De in Christus ontslapenen zullen als eersten opstaan. 1 Kor. 15: 42, 43: Zo ook de opstanding van de doden: gezaaid wordt in vergankelijkheid, ontwaakt wordt in onvergankelijkheid; gezaaid wordt in on-eer, ontwaakt in heerlijkheid; gezaaid wordt er in zwakheid, ontwaakt in kracht; Wie ziek en sterk verzwakt wordt begraven krijgt een geheel nieuw lichaam! Anders ook dan de genoemde Lazarus: die is later immers weer opnieuw gestorven.
  • De levende gelovigen volgen de ontslapenen 1 Kor. 15: 51, 52: Zie, wat ik zeg is een verborgenheid: wij zullen niet allen ontslapen maar wel allen veranderd worden, in ‘een punt des tijds’, in een oogwenk, bij de laatste bazuin;
  • En tot slot zullen al de gelovigen samen opgenomen worden in de wolken. Wolken geven in de bijbel aan dat God aanwezig is: zie de wolkkolom die Israel door de woestijn leidde, of de wolk op de berg Sinaï die de heerlijkheid van de Heer daar zes dagen lang bedekte.

 

Met deze woorden van troost – en een heel nieuwe boodschap – troost Paulus de gelovigen in Thessaloniki.

 

 

In hoofdstuk 5 stelt Paulus een ander aspect van Christus’ komst aan de orde. Als wij de hoop op Christus’ komst werkelijk hebben, zal ons dat aanzetten tot waakzaamheid en tot een werkelijk christelijk leven. Paulus roept deze dingen terug in het geheugen van zijn lezers; het waren geen nieuwe openbaringen voor hen.

 

De dag van de Heer komt

 

  • De dag des Heren is het moment waarop God zijn rechtvaardige oordelen over de aarde brengt. En dat oordeel geldt met name degenen die Jezus als de Christus hebben verworpen.
  • Voor de ongelovigen zal die dag komen als een donderslag bij heldere hemel. Als de wereld denkt de zaakjes mooi op orde te hebben zal het oordeel als complete verrassing toeslaan.
  • Voor de ongelovigen is er dan geen ontsnapping meer. Paulus illustreert dat met de barensweeën van een vrouw: als het eenmaal zover is, is er geen weg terug.
  • Voor de Kerk geldt dat ze moet weten dat die Dag aanstaande is.
    • De gelovigen moetenleven in het perspectief dat de heer komt.
    • Paulus benadrukt dat de gelovigen kinderen van licht zijn en van overdag, en dat ze niet een zelfgenoegzaam leventje moeten leiden, net als de ongelovigen. Johannes Chrysostomos duidde zulke gelovigen aan als christenen die dromen van rijkdom, eer en dergelijke dingen. En hoe waar is dat ook nu, zestien eeuwen later, nog!
  • Christenen moeten (5: 8) een leven leiden dat zich kenmerkt door geloof, liefde en hoop.
    • Een christen verkeert immers in een – geestelijk –oorlogsgebied. We hebben geloof nodig in Christus die voor ons stierf, we hebben liefde nodig voor de medegelovigen en voor alle ongelovigen , en we hebben de hoop levend te houden op de komst van onze Heer.

 

De Kerk ondergaat de oordelen niet

 

  • Het is Jezus, die ons redde door Zijn plaatsvervangend lijden op het kruis (1 Thess. 1: 10), die ons ontrukt aan de toorn die komt.
  • Tot op de reformatie leerde de kerk dat je op aarde boete moest doen voor zonden die in de hemel al vergeven waren. Dat kon gaan om het zeggen van bepaalde gebeden, het geven van geld of het maken van een pelgrimsreis.
  • Het was vijfhonderd jaar geleden de monnik Maarten Luther die deze praktijken (de aflaathandel) aan de kaak stelde toen hij zijn 95 stellingen publiceerde. Luther citeerde kort en bondig de bijbel (Rom. 1: 17): zoals geschreven staat: ‘maar de rechtvaardige zal leven uit geloof’ (Hab. 2,4).
  • Ook zijn er vandaag de dag nog gelovigen en sommige protestantse kerken die leren dat ook de Kerk, als Lichaam van Christus, ook door het oordeel zal moeten gaan. Dit geloof is, net als de oude aflaathandel, gebaseerd op de verkeerde vooronderstelling dat de gelovigen nog reiniging behoeven alvorens ze de eeuwigheid met Christus kunnen doorbrengen.

 

Samenvattend

 

  • Wij moeten onze rust vinden in Christus. Hij is gestorven en opgestaan. Bij Zijn komst zal hij de ontslapen gelovigen bij zich hebben.
  • We moeten uitzien naar de dag waarop de Kerk weggenomen wordt om met de Heer in de wolken te zijn. Wij zullen dan voor altijd en onafscheidelijk bij Hem zijn.
  • We moeten nu op aarde leven in de verwachting van de spoedige terugkeer van de Heer, in de zekerheid dat de toorn van God ons niet zal treffen.

 

Hebr. 11: 1: Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt, is het bewijs van gebeurtenissen die niet waarneembaar zijn. De alles overtreffende hoop voor de christelijke kerk is – in dat licht – (1 Thess. 1: 17):

 

Preek zondag 2 april 217

 

en wij, wij zullen worden veranderd.