Preek zondag 19 maart 2017


Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind,

 

“Spreken is zilver, zwijgen is goud” zegt een spreekwoord dat in vele talen voorkomt. De een vindt dat een heel waar gezegde: er wordt heel veel onzinnig gekletst en nutteloos gebabbeld. De ander meent dat het maar een raar gezegde is: alleen als het gaat om roddel of verdachtmakingen kun je beter je mond houden. Weer anderen houden her erop dat het vermogen op de juiste momenten te zwijgen of te spreken een gouden eigenschap is, en die eigenschap is even kostbaar als zeldzaam. Die laatste visie is kennelijk ook wat Prediker ons voorhoudt (en in hoofdstuk 5 verder uitwerkt, als het gaat om het doen en vooral nakomen van geloften).

 

De grote Duitse theoloog en verzetsheld Bonhoeffer was er van overtuigd dat alle begrijpen van Gods Woord begint met zwijgen en luisteren:

Wij zwijgen alleen ter wille van het Woord en dus niet om aan het Woord te weinig eer te bewijzen, maar om het op de juiste manier te eren en in ons op te nemen. Zwijgen is tenslotte niets anders dan wachten op het Woord van God om door Gods Woord gezegend terug te keren. (…) Het zwijgen voor het Woord leidt tot het juiste luisteren naar en daarmee ook tot het juiste spreken van het Woord van God op het juiste ogenblik. Veel onnodigs blijft ongezegd. Maar het werkelijk belangrijke en helpende kan vaak in weinig woorden worden gezegd.”

Dietrich Bonhoeffer, ‘Leven met elkander’

 

We herinneren ons allemaal momenten dat we zwegen terwijl we iets hadden moeten zeggen. Of momenten waarop we spraken, en we hebben er nu spijt van. We komen in situaties waarin we zoeken naar wat het beste is: er gebeurt onrecht, er is een ramp, er gaat iemand sterven, je hebt ruzie of een conflict, je worstelt met geloofstwijfel, er is een kerkdienst, je wilt bidden, er wordt geroddeld (Spreuken 11:13, Bij een roddelaar is een geheim niet veilig, wie betrouwbaar is, hult zich in zwijgen.), je wordt beledigd (Spreuken 12:16, Een dwaas toont onmiddellijk zijn woede, wie verstandig is, zwijgt als hij beledigd wordt)), je hebt een misstap begaan (Psalm 32:3, Zolang ik zweeg, teerden mijn botten weg, kreunend leed ik, heel de dag) Psalm 39: 3,4. En ik zei dan ook niets, geen woord, ik zweeg, vond geen verlichting, ik voelde steeds heviger pijn. Het brandde in mijn binnenste, bij mijn zuchten laaide een vuur op en mijn tong begon te spreken: is het misschien waar wat ooit eens iemand opmerkte: we leren allemaal om te spreken, maar wie leert ons om te zwijgen? Als we zwijgen spreekt onze lichaamstaal trouwens vaak nog boekdelen (want zwijgen is veel meer dan je mond houden). Als we zwijgen merken we dat we van binnen nog steeds doorpraten en verder gaan met (ver)oordelen.

 

Een bijna onthutsend zwijgen lezen we in Mattheüs 26: 63: als Jezus door twee valse kroongetuigen wordt beschuldigd zegt hij niks, ook niet als de hogepriester hem zijn zwijgen voor de voeten werpt. Het is alsof we de echo horen van de profeet Zefanja (3: 16): De Heer, je God, zal in je midden zijn, Hij is de held die je bevrijdt. Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, In zijn liefde zal Hij zwijgen, In zijn vreugde zal Hij over je jubelen.

 

Als iemand eraan zou twijfelen hoe de zwijgzaamheid van God eruitziet, dan hoeft dat niet meer. God zit niet mokkend te zwijgen. Hij zit zich niet te verbijten. Hij kijkt zelfs niet oplettend of we misschien opnieuw in de fout gaan, zodat Hij werkelijk boos kan worden. Het tegendeel is waar.

God juicht met gejubel. Hij juicht over ons, want Hij heeft ons verlost. God is in ons midden een Held Die verlost. Deze Held juicht over wat Hij gewonnen heeft. Zijn liefde heeft ons hart gewonnen. Hij verblijdt Zich over ons met vreugde. Psalm 149,4: Ja de Heer vindt vreugde in zijn volk, hij kroont de vernederden met de zege.

 

En als wij nou eens niet kunnen spreken? Als we (als ooit David in psalm 39) zo in de knoop zitten dat we God niet meer weten te bereiken? Wanneer het ons vergaat als de dichter A.F. Troost:

 

Wanneer ik zoek naar zinnen en bidt om een gebed,
niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,

 

zijn we dan kansloos bij God? Is onze vreugde in de God van onze verlossing dan verdwenen? Of is het waar wat de dichter schrijft: Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed; / Mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed. Is het denkbaar dat God ons ooit opgeeft? De God die David nooit opgaf zal ook ons nooit opgeven. God zegt (Jer. 31: 20): ontfermen, ik moet mij over hem ontfermen!

 

dan weet ik: Heer, Gij hoorde één stem: uw eigen kind.

A.F. Troost, Zingende Gezegend