Preek zondag 18 december 2016


Waar de weg mij brengen moge, aan des Vaders trouwe hand

 

Het bestuderen van de geschiedenis is een zeldzaam nuttige bezigheid. Je kunt vervolgens namelijk de successen uit de historie mooi overnemen en de rampen eenvoudig vermijden.

 

Was het maar zo simpel. En toch is het bestuderen van de geschiedenis geen onzin. Vandaag kijken we naar de roeping van Abram. Mozes stelde die historie te boek in Genesis.

We lezen over de roeping van Abram in hoofdstuk 11: 27 – 12: 9.

 

We lezen over vader Terach, woonachtig in Ur der Chaldeeën (een havenstad aan de Perzische Golf, in het huidige Irak) met zijn drie zonen Abram, Nachor en Haran. Abram is getrouwd met Sarai, die onvruchtbaar is en dus geen kinderen heeft. Nachor is getrouwd met Milka.

Haran overlijdt. Terach besluit met zijn gezin te verkassen naar Kanaän. Hij komt tot de stad Haran en overlijdt daar.

De hele familie was polytheïst. Ze vereerden meerdere goden. De naam Terach betekent “maanvereerder.” En ook de namen van de vrouwen geven een relatie met de maangod aan.

In de geschiedenis staat ook Haran bekend als een plaats waar maanaanbidding werd gepraktiseerd. Later in de geschiedenis maakt Jozua melding van het polytheïsme van de voorouders van Israel: (Jozua 24: 2): Dan zegt Jozua tot heel de gemeente: zo heeft gezegd de Ene, Israëls God: aan de overzij van de Rivier hebben, een eeuwigheid terug, uw vaderen gezeten: Terach, de vader van Abraham en de vader van Nachor,- en dienden andere goden;

 

De situatie in Genesis 12: 1 is niet bepaald rooskleurig. Terach is overleden. Sarai is onvruchtbaar en de familie is polytheïstisch.

 

In die situatie roept God Abram: Dan zegt de Ene tot Abram: ga, jij, weg uit je land, uit je geboortetent en uit het huis van je vader,- naar het land dat ik je zal doen zien; ik zal je maken tot een groot volk, ik zal je zegenen, ik zal groot maken jóuw naam; word een zegen!- ik zal zegenen wie jou zegenen en wie jou verwenst zal ik vervloeken; door jou zullen gezegend zijn alle families op de –rode– grond!

 

God geeft wel een veelomvattende aanwijzing, maar is anderzijds weer niet heel specifiek als Hij spreekt over “het land dat ik je zal doen zien”. Heel opmerkelijk is de belofte dat Abram zal uitgroeien tot een groot volk. Terwijl Sarai toch onvruchtbaar is. E minstens zo opmerkelijk is de mededeling dat door Abram en zijn nakomelingen God alle families op de aardbodem zal zegenen.

 

In de gegeven situatie is Gods belofte werkelijk ongelooflijk! In Genesis 1 t/m 11 is steeds sprake van bestaansonzekerheid. Adam en Eva worden uit de hof van Eden verdreven. Hun zoon Kaïn krijgt na de moord op zijn broer de straf dat hij “dolend en dwalend zal wezen op het aardland.” En als God de mens opdraagt om zich te vermenigvuldigen en de aarde te bebouwen besluit de mens de opdracht aan zijn laars te lappen en vooral bij elkaar te blijven (Gen. 11: 4): Dan zeggen ze: welaan, bouwen wij ons een stad en een toren met zijn top in de hemel, en maken wij ons een sem, een naam,- anders worden we verstrooid over het aanschijn van heel het aardland!

 

In die situatie zegt God tegen Abram: jij krijgt een land. En kinderen. En een zegen. Had Abram iets bijzonders gedaan dat hij met deze belofte werd beloond voor zijn inspanningen? Allerminst. God geeft de beloften helemaal vanuit Zichzelf. God kiest Abram uit om geen andere reden dan dat God kan kiezen wie Hij wil. En Abram doet twee dingen: hij gehoorzaamt God en hij besluit God te aanbidden. Abram (Gen. 12: 8): bouwt daar een altaar voor de Ene en roept de Ene aan bij zijn naam.

 

En wat leren wij, christenen van eind 2016, daar van? Wij zijn immers ook door God geroepen! En ook wij bouwen ons bestaan op Gods beloften, namelijk dat Hij Zijn Zoon heeft geofferd voor onze zonden.

En ook wij weten niet exact wat God met ons voor ogen heeft, en gaan onze weg in het vertrouwen dat Hij weet wat goed voor ons is?

 

Laat ons antwoord aan God bestaan uit gehoorzaamheid en aanbidding, net als bij Abram. Laat van ons gezegd kunnen worden dat we ware volgelingen van Christus, Gods Zoon, zijn.

 

loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land.

Jacqueline E. van der Waals, Wat de toekomst brengen moge