Preek zondag 11 december 2016


Uit de mond van kinderen en zuigelingen grondvestte gij kracht

Psalm 8: 3

 

Je wordt gevraagd om iets te zeggen over het onderwerp “Geestelijke verleidingen in de eindtijd” en je stemt erin toe.

Dan ga je bij gelegenheid maar eens googelen. En wat blijkt? Er zijn vele doorwrochte artikelen en columns over geschreven. Geen nee te koop dus. En dat kan iedereen die dat wil lezen. Niet iets om nog eens dunnetjes over te doen in een toespraak.

 

Het is goed om vast te stellen dat “geestelijke verleidingen” bij satan vandaan komen. Het is al eeuwen zijn belang om ons christenen van het christelijke pad af te brengen. En hij is listig genoeg om onze momenten van onoplettendheid foutloos uit te buiten.

 

En ook is het goed vast te stellen wat we bedoelen met “eindtijd.” Zo’n vierhonderd jaar vóór de geboorte van Christus beleefde het volk Israël als natie zijn einde. Of denken we aan het einde van de opstand van de mens? Of het einde van de opstand van satan? De schematische overzichten die dominee google oplevert zijn heel inzichtelijk. Maar ook een beetje ‘ver van mijn bed.’ Het gaat toch vaak over ‘later’ en over ‘de ander.’

 

Misschien is het voor ons profijtelijker om eens na te denken over de eindtijd in de zin van “deze week.” Aan welke verleidingen staan wij zelf heel concreet en herkenbaar bloot? Als we gewoon eens even stilstaan, om ons heen kijken en ons afvragen “wat gebeurt hier allemaal; wat komt er allemaal voorbij op een dag of in een week? En hoe reageer ik daar dan op?”

 

Mattheüs 24 spreekt over de eindtijd in bewoordingen als “volk zal opstaan tegen volk,” en noemt verschijnselen als “aardbevingen en overstromingen.” Historici leren ons dan dat die verschijnselen van alle tijden zijn. En dat is ook zo. Maar nooit hebben die verschijnselen de wereld en haar geschiedenis zo beheerst en in de greep gehad als vandaag. Als er nu een grote aanslag is in Cairo of er een autobom ontploft in Mogadishu weten we dat via ons mobieltje binnen een kwartier. Nooit is er zoveel onrust en onzekerheid geweest in de wereld als nu. Er zijn nauwelijks nog verschijnselen en gebeurtenissen die louter van lokale betekenis zijn. De onrust plant zich voort en versterkt zichzelf op wereldschaal. Ze valt nauwelijks nog te dempen.

 

En daarom is deze tijd heel anders dan wat de wereld eerder meemaakte. Ontwikkelingen gaan zo snel dat het begrijpen en duiden ervan voor ons mensen onbegonnen werk is. En het geloof dat wij mensen een en ander nog wel in goede banen zullen kunnen leiden heeft ook niet heel veel aanhangers meer.

 

Zou God ook net zo verbluft en verbijsterd zijn als wij? Denkelijk niet:

  • God heeft altijd al gezien wat er gebeurde, ook toen wij honderd jaar geleden nog niet in de krant lazen wat er elders aan oorlogen en aardbevingen was.
  • God ziet niet louter de grote gebeurtenissen; hij ziet ook de kleine zaken, bijvoorbeeld ook die achter onze christelijke voordeur.

 

 

In een tijd die zo op zijn kop staat als de onze, zijn er twee verleidingen waarvan we de kwade kans lopen erin mee te gaan.

 

 

De eerste verleiding is dat we steeds maar weer de bevestiging van ons eigen gelijk zoeken.

In het oude Israel, aan het einde van zijn bestaan als natie, was dat ook schering en inslag. De – zelf benoemde – profeten spraken fraaie en geruststellende woorden voor de mensen als die ervoor betaalden! Micha 3: 5: Zó heeft gezegd de Ene tot de profeten die mijn gemeente laten verdwalen,- die, zolang hun tanden te bijten kregen, ‘vrede’ hebben geroepen en tegen wie hun niets in de mond gaf een oorlog hebben geheiligd: Profeten van de stempel “wiens brood men eet, diens woord men spreekt.”

En dat herkennen we toch ook wel op het christelijk erf? De boodschap dat het jou goed zal gaan als je de tienden maar overmaakt aan de kerk? De boodschap dat je zult genezen van je ziekte als je geloof maar groot genoeg is en je oprecht bidt?

 

Lopen we niet allemaal het gevaar dat we die mensen steunen met wier visie we het eens zijn? Vragen we ons nog serieus af of we Gods boodschap nog wel willen horen? Of zijn we inmiddels zover dat we God vragen om ons te zegenen op de weg die we eerst zelf gekozen hebben?

 

Als Paus Franciscus zegt “dat zondebesef de allereerste genadegave van God is,” slaat hij dan de spijker niet volmaakt op zijn kop? Of menen we dan toch maar dat van de Paus q.q. niets goeds kan komen?

 

De tweede verleiding is zelfgenoegzaamheid.

Die verleiding loop je tegen het lijf als je de zeven zendbrieven van Openbaringen hoofdstuk twee en drie leest. Wij geloven algemeen wel dat die brieven een beeld schetsen van de ontwikkeling van de christelijke kerk in de westerse wereld. De laatste gemeente, die van Laodicea, klopt zichzelf op de borst met de opmerking ‘ik ben rijk en heb me rijk gemaakt en heb niets nodig’.

 

Zouden wij zoals we hier zitten zo een uitspraak voor onze rekening nemen? Natuurlijk niet! Wij voelen ons veel meer thuis bij de woorden die tot de gemeente van Filadelfia worden gezegd!

 

Maar maken we ons er dan niet heel gemakkelijk van af? Want laten we eerlijk zijn: als we de Laodicea-uitspraak voor onszelf dus ontkennen, dan zijn we dus níet rijk en hebben we wél wat nodig:

  • Waar zit dan ons gebrek?
  • Waar schieten we dan tekort?
  • Wat hebben we dan dus nodig

 

Betrappen we er onszelf dan misschien toch op dat we erg tevreden zijn met de geloofswaarheden die wij aanhangen? Met de toekomstvisie die de onze is? Met de geloofspraktijk zoals we die beoefenen?

 

Hangen wij de overtuiging aan die luidt: “ Er zijn slechte twee meningen. De mijne en de verkeerde.” Want ach die katholieken maken toch wel heel veel scheiding tussen de leer en het leven. En die gereformeerden met hun verbondsleer zitten er straal naast natuurlijk. Terwijl de Pinkstermensen met dat “vallen in de Geest” wel erg griezelig doen.

 

Het is helemaal niet erg om een eigen mening te hebben. Het kan zelfs niet anders. En vanaf ons eigen standpunt bezien hebben we altijd gelijk natuurlijk. Maar hoe goed is ons standpunt?

 

Iemand zei eens: Natuurlijk heb ik gelijk. Anders dacht ik er wel anders over!

Het probleem is: de ongerijmdheden in ons eigen denken ontsnappen ons nogal eens. We zoeken vooral naar feiten en redeneringen die onze eigen ideeën en overtuigingen bevestigen. Onze uitdaging is:

  • Kijk eens in de spiegel?
  • Val je jezelf tegen?
  • Geen angst: je valt God nooit tegen (je kunt wel jezelf voor de gek houden. Hem niet).

 

En wat helpt er dan? Meer bidden? Meer vasten? Zelfkastijding? Meestal niet echt. We moeten eerder onze aspiraties bijstellen. Ons gelijk – en de verdediging daarvan – loslaten. En worden als een kind (Mattheüs 11: 25). Een kind dat Vader volgt zonder vragen. Een kind dat overtuigd is van Vaders liefde. Een kind dat Vader volgt om de simpele reden dat het Vader is. Niet omdat ‘ie het snapt.

 

Als de bediening van de Heer Jezus lijkt te falen – Johannes de Doper twijfelt zelfs aan Hem – blijkt die bediening juist te beginnen! Maar het gaat dan niet om kennis, inzicht en verstand. Het gaat om een kinderlijk geloof. En zo een geloof heeft niks te maken met de eventuele voorspoed, mochten wij dat ervan verwachten. Met de woorden van Micha 6: 8b : en wat vraagt de Ene anders van je dan recht doen, vriendschap liefhebben en naarstig wandelen met je God?

 

Wandelen met God is niet: God om een zegen vragen over de mooie en christelijke plannen van jezelf. Niet: God voor jouw eigen karretje spannen. Maar (Psalm 131: 2): bedaren liet ik, verstillen mijn ziel als een gespeend kind bij zijn moeder, als een gespeend kind rust mijn ziel bij mij.

 

als ge niet omkeert en wordt als de jongetjes

zult ge het koninkrijk der hemelen echt niet binnenkomen!

Matth. 18: 3