Preek zondag 6 november 2016


 

Van horen zeggen had ik van u gehoord,-

 

We hadden het eerder al over Job. Dit keer kijken we naar (Jak. 5: 11): …..de volharding van Job ……….en het einde van de Heer…..

 

Job is een puissant rijke man van wie God zelf zegt (Job 2: 3): zijns gelijke is er niet op de aarde, een man die volmaakt en oprecht is, godvrezend en wars van het kwaad!- Job die vervolgens alles in het leven verliest. En die worstelt met de vraag wie God voor hem is. Hij komt kompleet alleen te staan. Aan zijn drie vrienden heeft hij niks. Met hun visie dat Job wel fout moet zitten omdat God altijd rechtvaardig handelt laten ze hem in de kou staan. Ook zijn vrouw staat niet langer achter hem. En Job wil een rechtszaak tegen God beginnen.

 

Als een vierde vriend – Elihu – spreekt (hoofdstuk 32 t/m 37), geïrriteerd door zowel Job als door de drie vrienden die voor hem het woord voerden, is het geheel tegen de verwachtingen in niet Job die op die toespraak antwoordt, maar neemt God zelf het woord.

 

En God spreekt uit een storm. Spreekt met overdonderende kracht (vgl. 1 Kon. 19: 11; Zach. 9: 14). En God uit zich niet in spitsvondige redeneringen of scherpzinnige weerleggingen. God uit zich in een spervuur aan vragen. Retorische vragen. God verlangt geen antwoord. Door Gods woorden voelt Job zich aangesproken. En hij kan niet anders dan de waarheid erkennen die opgesloten ligt achter de vragen die God stelt. En soms voegt God nog een vleugje spot toe (Job 38: 19 – 21): Waar is de weg naar waar het licht woont,- en het duister, waar dan is zijn plaats?, zodat je het kunt wegbrengen naar zijn gebied,- dat je het kunt helpen komen op de banen naar zijn huis! Jij zult dat wel weten, want je was toen al geboren,- in aantal zijn je dagen véle!

 

Als God dan de vraag stelt (Job 40: 2): wil de berisper verder in het geding met de Overmachtige,- wil de bestraffer van God antwoorden? antwoordt Job bijna als iemand die murw geslagen is. Hij weet wel dat hij tegen Gods vragen niks kan inbrengen, maar toch neemt hij ook niks terug. Hij geeft niet toe dat hij verkeerd stond, en handhaaft wat hij eerder zei. Boete doet Job niet.

 

God herneemt zijn betoog. En dat niet met het doel om Job te verpletteren en te vernietigen, maar om hem te onderwijzen en te overtuigen. God ziet Job niet als een boosdoener, rijp voor het oordeel. God voert twee mythische beesten ten tonele, de leviathan en de behemot. Beide zijn schepselen, net als Job. En als geen mens deze dieren de baas kan, dan kan Job toch wel helemaal vergeten dat hij de Schepper van deze dieren de baas kan of kan intimideren.

 

Wij kunnen ons – menselijkerwijs – afvragen of God niet te hard is voor Job. Of Hij niet op een mildere manier had kunnen reageren. Maar laten we niet uit het ook verliezen dat God Job volmaakt kende en doorzag. En dat God met Job het beste voorhad. God wilde dat Job zowel zichzelf als ook God beter leerde kennen. En dat ging van auw! En ook wij moeten beseffen en soms leren dat we God niet langs onze menselijke meetlat kunnen leggen om Hem na te rekenen.

 

Gods doel is dat Job – dat wij – uiteindelijk rusten in God. Dat zijn grote woorden. En nooit wordt dat simpel. Maar lijden en geloof zijn voor de rechtvaardige toch de weg naar de hemelse glorie. En daarom gebruikt God dat lijden soms in een christenleven.

 

Na Gods tweede betoog is er bij Job een knop om. Hij erkent dat Gods vele vragen terecht zijn (Job 42: 3, 5) en doet boete: Wie is dat die mijn raad verduistert zonder iets te weten?’ Daarom heb ik gemeld wat ik niet begreep,- dingen te wonderlijk voor mij waarvan ik niets wist. Daarom herroep ik en heb ik berouw,- hier op stof en as!

 

Verbluffend is dat God de drie vrienden berispt omdat ge niet recht van mij gesproken hebt, zoals mijn dienaar Job! En God herstelt alles tot het dubbele, maar doet dat terwijl hij (= Job) bidt voor zijn metgezellen. En ook verbluffend is dat de relatie met Jobs broers weer wordt herstelt (vergelijk Job 19: 13 met Job 42: 11.)

 

(Jakobus 5: 11): wij prijzen zalig wie hebben volhard: de volharding van Job hebt ge gehoord en het einde van de Heer weet ge, omdat ‘de Heer rijk aan erbarmen is en mededogend’ (Ps. 103,8).

 

maar nu heeft mijn oog u aanschouwd.