Preek zondag 24 oktober 2010


 

Ik zeg tot God, mijn Rots: waarom hebt gij mij vergeten?

 

 

 

Wie kent het niet. Het gevoel dat je niks te wensen hebt en toch niet gelukkig bent. De wetenschap dat het je aan niks ontbreekt en je toch onvoldaan bent. Het feit dat je alles hebt en je toch ontevreden bent. De situatie dat je geloof op een laag pitje staat. Dat je jezelf geweldig tegenvalt.

De situatie dat God je al zijn grootheid en geweldigheid laat zien en het je weinig doet.

 

Zo een situatie tref je aan in Jesaja 49. God vertelt dat Hij een dienaar naar de wereld zal sturen voor onze redding. En dat niet louter voor het volk Israel, maar voor heel de wereld. “ gegeven heb ik je ook tot een licht voor de volkeren, dat mijn heil zal reiken tot de rand van de aarde! En dat blijft ook niet staan bij de redding uit ballingschap: Zie, zij komen aan van verre,- zie, zij uit het noorden en van de zeekant, en zij uit het land van Siniem.”

De reactie van de aangesprokenen is sceptisch. Prachtig hoor, al die beloften voor later. Maar hoe zit het met het hier-en-nu? Jeruzalem is verwoest. De tempel een ruïne. Houd God echt wel van ons?

Het punt is niet eens dat het volk God niet gelooft. Dat doen ze nog wel denkelijk. Maar ze kunnen er helemaal niks mee. Ze voelen er niks bij. Voor hun dagelijks leven heeft het geen enkel nut. In moeilijke tijden kan ook ons dat makkelijk gebeuren. Dat we ons geluk voelen wegvallen. En dat geluk eerder in omstandigheden zoeken dan in God zelf. We voelen ons verlaten en vergeten.

Gods reactie is die van een gepassioneerd minnaar. Die zijn liefde uitschreeuwt bijna:
Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zich niet ontfermen over het kind van haar schoot?-

al zou zij die vergeten, ík vergeet jou niet! God zegt niet dat we ons niet moeten aanstellen. Hij negeert ons niet. Maar hij neemt ons serieus. God stelt Zijn waarheid tegenover onze emotie. Hij zegt niet dat we de ellende maar moeten leren hanteren. Hij laat ons nadenken over wie hij is. Hij vraagt ons na te denken over de relatie tussen een moeder en haar jonge kind. Een kind dat zichzelf niet kan redden. Dat compleet afhankelijk is van de moeder. Tussen moeder en kind bestaat niet zoiets als een ruilrelatie: “ als jij dit doet, krijg je dat.” De moeder geeft alles. Ze krijgt helemaal niets van de baby. De moeder leeft helemaal voor haar kindje, met alle opoffering die daar bij hoort.

“ Kijk,” zegt God, “ vergelijk dat met de liefde die ik voor jou voel. Ook al ben je als een baby die alleen maar neemt en niks geeft, mijn liefde voor jou is en blijft onvoorwaardelijk. Mijn liefde kan niet worden verwoest.”

En God onderstreept dat nog eens. Met een soort overtreffende trap. “ Zie, in mijn handpalmen heb ik je gegrift,-“ Echte liefde blijkt niet uit woorden, maar uit daden. Het is mooi dat iemand zegt dat hij of zij van je houdt. Maar blijken doet dat uit feitelijk gedrag. God zegt in de metafoor dat hij ons in zijn handpalmen heeft gegraveerd.

Toen Tomas de door spijkers verminkte handen van de Heer zag, zag hij letterlijk hoe groot Jezus’ liefde voor hem was.


En als wij ons eenzaam en verlaten voelen? Vragen we dan God om zijn blijdschap terug te mogen krijgen? Willen we dat echt? Zoals David dat vroeg in psalm 51:

Doe mij horen blíjdschap en vréugde, dan juichen de béenderen die gij hébt verslágen!” En

Keer tot mij weer met verrúkking om uw bevríjding,….”

Als wij zoiets aan God vragen, hoe zal Hij dan antwoorden?

en ik mag komen, tot het altaar van God, tot de God van mijn jubelende vreugde, en zal juichen, u dánken bij de hárp, o Gód, míjn Gód!

 

 

want éens zal ik hem dánken, die mijn aanschijn bevríjdt, díe mijn Gód is