Preek zondag 26 juni 2016


Zo blijft het dan: geloof, hoop, liefde,

– deze drie;

 

Wanneer je iemand – die je niet kent – heel erg ziet huilen, wat doe je dan? Alsof je niks merkt? Je maakt je uit de voeten? Het is immers jou zaak of probleem niet?

Of haal je een glaasje water voor zo iemand. En geef je je zakdoek?

Ben jij je broeders of zusters hoeder?

 

De uitdrukking ‘mijn broeders hoeder’ komt uit de bijbel. En de eerste vermelding daarvan is wel een heel negatieve.

Beide zonen van Adam en Eva brengen God een offer. Abel van de eerstelingen van zijn wolvee, en Kaïn brengt een broodgift. Als blijkt dat God het offer van Kaïn negeert en dat van Abel aanvaardt wordt Kaïn laaiend. Hij slaat zijn broer dood.

God spreekt dan Kaïn aan: waar is Abel, je broer?- hij zegt: mij onbekend,- ben ík mijns broeders hoeder? Een ongelooflijk bot antwoord: hij was de moordenaar van zijn eigen broer!

 

In de geschiedenis van Jozef zien we de hoofdpersoon als iemand die wel de hoeder van zijn broers wilde wezen.

Jozef is de lieveling van zijn vader. Zijn broers haten hem daarom. Op een dag stuurt vader Jacob zijn zoon Jozef naar zijn broers die de schapen hoeden. Het is de bedoeling dat Jozef laat weten hoe het met zijn broers gaat.

Zijn broers haten hem net als Kaïn Abel haatte. Alleen een slimmigheidje van oudste broer Ruben voorkomt dat ze Jozef vermoorden.

Jozef wordt verkocht aan een voorbijtrekkende karavaan en komt in Egypte. Daar maakt hij op een wonderlijke manier carrière. Hij wordt na Farao de tweede bewindvoerder in Egypte.

 

Dan breekt er hongersnood uit en Egypte heeft nog volop koren. De stammen van buiten Egypte trekken naar dat land om eten te kopen. Zo ook de broers van Jozef.

Bij de ontmoeting herkennen de broers Jozef niet, maar hij herkent zijn broers wel.

 

Als Jozef bij de tweede ontmoeting vertelt wie hij is schrikken de broers zich lam. Ze vrezen dat hun laatste uur geslagen heeft. Zou Jozef het hem aangedane onrecht niet willen wreken?

 

Jozef echter toont zich werkelijk ‘zijn broeders hoeder.’ Zijn liefde voor zijn broers gaat voor hem boven zijn macht als heerser e zijn aanzien in Egypte. (Gen 45 : 14, 15) Dan valt hij zijn broer Benjamin om de hals en weent, ook Benjamin heeft geweend toen hij hem omhelsde. Hij kust al zijn broeders en weent om hen, en na dat alles hebben zijn broeders met hem durven spreken. Het is alsof je de Heer Jezus hoort zeggen (Luk. 15: 22) vol verlangen heb ik ernaar verlangd vóór mijn paaslijden dit pesach met u te eten;

 

Wat heeft dat ons nu te zeggen? Een christen heeft nieuw DNA gekregen (2 Kor. 5: 17): Want al wie één met Christus is, is een nieuwe schepping; Wij zijn overgegaan uit de dood in het leven en dat weten we (1 Joh. 3: 14) omdat we de broeders-en-zusters liefhebben; wie die niet liefheeft, blijft in de dood;

 

Als zijn broers weer teruggaan zegt Jozef (Gen 45: 24): wind je niet op onderweg! Maak geen ruzie!

Johannes, die als geen ander schrijft over de liefde, bevestigt in Joh. 20: 17 de broederschap van en met de Heer Jezus: maar ga voort naar mijn broeders en zeg tot hen: ik klim op naar mijn Vader,- ook úw Vader, en naar mijn God,- ook úw God!

 

Johannes formuleert het liefdesgebod (want dat is het) heel absoluut: (1 Joh. 3: 10) wie niet liefheeft zijn broeder-of-zuster is niet uit God, En een hoofdstuk later (1 Joh. 4:20) Als iemand zegt ‘ik heb God lief’ en zijn broeder-of-zuster haat, is hij een leugenaar;

 

Het leven van een christen is een oefening in liefde. Allereerst onder elkaar. Want Gods koninkrijk loopt op liefde en op niks anders. Voor niet-christenen zou dat hèt kenmerk van ons christenen moeten zijn. Als krachtig signaal naar heel de wereld. Broederschap: gevleugeld woord van de Franse revolutie, maar als eerste gesneuveld in diezelfde revolutie. Het is dè opdracht voor christenen.

 

Christenen zijn – per definitie! – elkaars hoeders.

 

Ubi caritas et amor, Deus ibi est.

Waar liefde is, daar is God.

 

maar de grootste van deze is de liefde!

The Greatest of These; Choral Essays 1, The Kings Singers

 

Though in declaring Christ to the sinner, I may all men surpass,

If love impassioned seal not the message, I am nought but sounding brass.

Love suffereth patiently; Love worketh silently; Love seeketh not her own. Love never faileth; Love still prevaileth, Lord, in me thy love enthrone!

Though I have wisdom lighting all mysteries; Though I may all things know;
Though great my faith be, removing mountains, Without love ’tis empty show.

Love suffereth patiently…

Though I distribute all my possessions; Though as a martyr die;
My sacrifices profit me nothing, Unless love doth sanctify.

Love suffereth patiently…

Ubi Caritas; Lux, Voces8

 

Ubi caritas et amor, Deus ibi est.
Congregavit nos in umum Christi amor.
Exsultemus et in ipso jucundemur.
Timeamus et amemus Deum vivum.
Et ex corde diligamus sincero.

 

Waar liefde is, daar is God.
De liefde van Christus heeft ons verenigd.
Laat ons juichen en blij zijn in Hem.
Laat ons de levende God vrezen
en met een oprecht hart liefhebben.