Preek zondag 12 juni 2016


Dan laat ik hetgeen overbodig is gaan,

 

In het oude Israel kende men zeven grote feesten. God zelf stelde die feesten in. We lezen dat in Leviticus 23. En het zijn niet zomeer een stuk of wat vrije dagen om er voor jezelf eens van te genieten. God zegt (:2) de samenkomsttijden van de Ene,- als ge die uitroept zijn dat oproepen tot heiliging; dít zijn zij, mijn samenkomsttijden: Het zijn de feesten van en voor God zelf!

 

Zeven feesten worden en gespecificeerd in Leviticus 23:

  1. : 5 het paasoffer voor de Ene (pascha)
  2. : 6 het feest van de matses voor de Ene (ongezuurde broden)
  3. : 9 een garf van het begin (eerstelings-garve)
  4. : 17 een brood om mee te wuiven (beweegoffer; eerstelingen voor de Heer)
  5. : 23 een gedachtenis met bazuingeschal, 
een oproep tot heiliging (feest van het geklank)
  6. : 27 ‘dag van de verzoeningen’ (grote verzoendag)
  7. : 33 Chag Hasoekot (Loofhuttenfeest)

 

Al die feesten hadden in het oude Israel hun specifieke doel met hun letterlijke betekenis voor die tijd. Dat doel gaan we kort aanstippen. Daarnaast werpen die feesten ook hun geestelijke schaduw vooruit naar ons in deze tijd. En tenslotte zijn er feesten waarvan de schaduw zelfs voorbij onze tijd reikt. Feesten die een profetie inhouden die nog vervuld zal worden.

 

Hierna komen de zeven feesten in bovenstaande volgorde aan bod.

 

  1. Het Paasoffer

Zo’n 3500 jaar geleden bivakkeerde het volk Israel in Egypte. Vanwege hongersnood waren ze daar vierhonderd jaar tevoren naartoe getrokken. En als vreemdelingen werden ze inmiddels gruwelijk onderdrukt.

God zag dat en beschikte hun bevrijding uit Egypte. Hij zond tien plagen om de Egyptenaren te vermurwen om de Israëlieten weg te laten trekken. Maar de vrijheid werd hen steeds weer geweigerd. Tot de tiende plaag. In Egypte stierven alle eerstgeborenen van mens en dier. Behalve bij de Israëlieten: zijn slachtten een paaslam en streken van het bloed aan deurpost en bovendorpel. De engel van God die de eerstgeborenen doodde ging huizen die met bloed gemerkt waren voorbij.

In het paasfeest herdacht Israel dan ook de bevrijding door God uit de onderdrukking van Egypte.

 

Het nieuwe testament geeft aan dat dat paasoffer gaat over de Heer Jezus. Ziehier het Lam van God. Hij is het ware Lam van Pasen[1]. Hij kwam uit de hemel om ons mensen te redden uit de gevangenschap van de duivel. Ef. 4: 10 : Hij die is nedergedaald, hij is het ook die is opgevaren hoog boven alle hemelen, om alles te vervullen. Al Gods plannen werden vervuld in en door de Heer Jezus. Met 1 Kor. 5: 7b: Want ook ons paaslam is geofferd: Christus. Dat is de basis van het christelijk geloof. De kern waar alles om draait:

“Die ‘t Kruis niet en draagt

en is ‘t Kruise nie’ weerd,

noch Christen en is

zijn naam !”[2]

 

Misschien hebben wij christenen nogal eens de neiging om van bijzaken hoofdzaken te maken. We verheffen onze standpunten nogal eens tot principes. Maar wie het kruis uit zijn geloofsbelijdenis schrapt doet precies het omgekeerde. Hij ontkent de basis van het christendom. Tweeduizend jaar geleden ging er een Lam de wereld door om onze schuld te dragen. Dat moeten we vasthouden. Of anders ons niet langer christen noemen. Pascha is de basis voor alle volgende feesten.

 

  1. Feest van de ongezuurde broden.

De dag na het paasfeest moesten de Israëlieten – gedurende zeven dagen – ongezuurd brood (matses) eten. Die zeven dagen mocht in hun huis geen zuurdesem (is zuur geworden oud deeg) worden gebruikt om deeg voor de volgende dag te laten rijzen (want zo geeft je het zuur normaal dus non stop door). En dat vereiste een grote schoonmaak tot in alle hoekjes en gaatjes.

Christenen dienen zich te reinigen, zoals 1 Kor 5: 7a zegt: Reinigt u, doet weg het oude zuurdesem!, opdat ge een nieuw deeg zult zijn, zoals ge ook ongezuurde broden zijt.

 

  1. Het feest van de eerstelingsgarve.

Dit is een oogstfeest. Als de gerst gerijpt op het land stond was iedereen blij en opgetogen. De sikkel werd in het koren geslagen en de oogst begon. Maar de allereerste schoof was voor God. De priester moest die ‘bewegen’ voor God. En de boer moest een gaaf lam van een jaar oud slachten als brandoffer voor God, met een bijbehorend graanoffer.

In het ontkiemde en gerijpte koren herkennen we de opgestane Christus. De graankorrel die in de aarde valt en veel vrucht voortbrengt. Het bekende hoofdstuk 1 Kor. 15 is daar een grote lofzang op! En ook hier geldt: geloof in de lijfelijke opstanding van Jezus Christus is de basis van het christendom. Dat is niet een of ander filosofisch concept. Maar een historische gebeurtenis. 1 Kor. 15: 17: maar als Christus niet is opgewekt is uw geloof vergeefs en zijt ge nog steeds ‘in uw zonden’.

 

  1. Feest van de eerstelingen

Dit – eveneens – oogstfeest volgde vijftig dagen na het vorige. Dan werd God een nieuw graanoffer aangeboden. God verliet zijn volk niet. Hij was voortdurend bij hen. En zegende met eerst gerst en nu tarwe. God bleef zijn volk trouw. Hij verliet hen niet.

De Heer Jezus ging naar de hemel. Heel wat van zijn discipelen waren daar droevig om. Wat moesten ze nu zonder hem? Maar – zoals beloofd door de Heer Jezus zelf – kwam met Pinksteren God de Heilige Geest om in ons individueel en collectief te gaan wonen. Hij brengt de christelijke gemeente op aarde bijeen. Hij leidt ons. We kunnen met al onze dagelijkse besognes bij hem terecht. Hij leert ons wat liefde is. En leert ons elkaar lief te hebben.

 

  1. Feest van de bazuin

Dit feest – na Pinksteren dus – werd aangekondigd door bazuingeschal. Ook hier (Num. 29: 1 e.v.) waren brandoffers en graanoffers voorgeschreven.

Als de gemeente is opgenomen in de hemel – de Heer Jezus komt terug om zijn gemeente te halen en de doden zullen opstaan uit hun graven! – neemt God zijn plannen met Israel weer op. Uit alle stammen van Israel zal een overblijfsel – op terugtocht naar het beloofde land – het geklank van het evangelie van het koninkrijk horen. Ze krijgen dan de zegeningen van Gods koninkrijk.

 

  1. De grote verzoendag

Op de grote verzoendag – een keer per jaar – ging de priester het Heilige der Heiligen binnen om voor het volk verzoening te doen. En het volk moest zich verootmoedigen voor God. Moest heel de aandacht richten op God. Mocht vooral niet werken. Moest belijdenis doen van dingen die verkeerd zaten.

In dit opzicht zijn twee grote offers van belang. Bij het zondoffer ging de zonde van het volk Israel over op het offerdier. Bij het brandoffer was het juist andersom: de reinheid van het dier ging over op het volk. Zo droeg de Heer Jezus als schuldoffer onze zonden. En schonk hij ons als brandoffer zijn gerechtigheid.

Door de hand op het offerdier te leggen werd de priester één met dat dier. Omdat wij met Christus aan het kruis hingen, met hem zijn begraven en met hem zijn opgestaan zijn wij één met Christus! En in en door hem zijn wij rechtvaardig. En in de toekomst zal Israel zien en erkennen dat Jezus de Messias is!

 

  1. Loofhuttenfeest

Toen Israel in het beloofde land aankwam moesten ze herinnering houden aan de tijd dat ze door de woestijn trokken. Een week lang per jaar mochten ze dan niet in hun huis wonen, maar moesten ze zich behelpen met tijdelijke bouwsels met een bladerdak.

Ook wij moeten terugdenken aan waar we vandaan komen. En ons Gods trouw herinneren als het soms moeilijk is en we strijd eravaren. Matth. 11: 28: Hierheen, naar mij toe, allen die vermoeid en belast zijt, en ík zal u rust geven!

En in de toekomst, als Israel de Messias heeft aanvaard, geeft God duizend jaar van vrede en gerechtigheid aan de aarde. Israel zal dan terugzien op de vele eeuwen die God in Zijn geschiedenis met hen optrok.

 

Twee opdrachten

  1. Leef je leven in het licht van de eeuwigheid. Wat is dan nu overbodig? En wat is nu kostbaar?
  2. Leg het zwaartepunt van je leven bij “het ware Lam van Pasen”: de Heer Jezus. Want niet wij mensen komen met dit lam aanzetten, zoals eertijds de Israëlieten met hun lammeren en andere offers. God komt met dit Lam aanzetten. God laat zien wat wij Hem waard zijn: alles namelijk. Geldt dat ook omgekeerd?

 

neem Jezus als enige nodige aan.

Joh. Schröder (1697)/Ria Borkent, “Eins ist noth, ach Herr, dies’ Eine”
[1] Maarten Luther Christ lag in Todesbanden (1524), vertaling Ria Borkent
[2] Guido Gezelle, 18 mei 1859