Preek zondag 5 juni 2016


youtu.be/olFu24sm7JI

En wilt Gij ons de bittre beker geven

Met gal gevuld tot aan de hoogste rand,

 

Er zijn Bijbelboeken die meer je persoonlijke aandacht trekken dan andere. Job is zo’n boek. Een boek met dialogen. Gedachtewisselingen. Tussen God en satan. Tussen Job en z’n vrienden.

Een boek ook dat vragen oproept. Welke rol speelt God hier? Laat God zich verleiden tot een weddenschap met satan, met Job als inzet?

We lezen Job 1: 1 – 2: 10. Beproeving is hier het kernwoord. Job is van volkomen onbesproken gedrag en instelling (1: 1): Job …., …. was volmaakt en oprecht, godvrezend en wars van kwaad. Alle kenmerken die een ware dienaar van God zou kunnen hebben bezat hij.

Job was ook schathemeltje rijk. God zegende hem met bezittingen en met kinderen.

Dan vindt er een gesprekje plaats bij en onder leiding van God. Ook satan – gevallen engel – neemt daaraan deel. God zelf brengt Job ter sprake en wel met louter positieve woorden (1:8): heb je je hart wel gezet op mijn dienaar Job?- want er is niemand als hij op de aarde, een man die volmaakt en oprecht is, godvrezend en wars van kwaad!

 

Dat acht de satan net iets te makkelijk. Hij is ervan overtuigd dat Job zijn vrome houding wel los zal laten als het hem minder voor de wind gaat. “Neem hem je cadeautjes naar eens af, dan piept hij wel anders” meent satan.

Maar God heeft alle vertrouwen in Job! Hij zegt tegen satan (1: 12): al het zijne is in je hand; alleen naar hemzelf mag je je hand niet uitstrekken! Pak Job maar aan! (En je zal eens wat zien!)

 

En satan pakt Job aan. Alle bezittingen raakt Job kwijt. Zijn kinderen worden verpletterd onder een instortend huis. Gods vertrouwen in Job blijkt geheel terecht! Want Job zegt (1: 21): naakt trok ik weg uit de schoot van mijn moeder en naakt keer ik daarheen terug; de Ene heeft gegeven, de Ene heeft genomen, de naam van de Ene zij gezegend![1] Geen klacht komt over zijn lippen!

 

Satan weigert zijn nederlaag toe te geven. Als hij weer eens bij God is zegt ‘ie; “doe er maar eens een schepje boven op en tast zijn lichaam aan. Dan gaat Job heus wel voor de bijl.”

Gods vertrouwen in Job blijft ongeschokt. Ook dit staat hij satan toe. God, van wie in 1 Kor. 10: 13 wordt gezegd: getrouw is God, die niet zal toestaan dat ge beproefd wordt boven wat ge aankunt,- nee, mét de beproeving zal hij ook de uitkomst geven om haar te kunnen verdragen.

 

Job komt compleet onder de vreselijkste zweren te zitten. Met een scherf krabt hij zijn jeukende huid, terwijl hij midden in de as zit. Zijn vrouw kan het niet langer aanzien en zegt tot hem (2:9): houd je nog vast aan je volmaaktheid?- zegen God vaarwel en sterf!

 

Job was een outcast geworden. Hij die vroeger in de stadspoort zat en sociaal aanzien genoot (29:7), zat nu op de vuilnisbelt.

Zijn vrouw kon niet geloven dat het kwaad kan komen van een goede God. Maar vergelding is niet de basis van de relatie tussen God en ons. Waarbij we welvaart hebben als we goede daden doen en straf krijgen als we slechte daden doen.

Het lijden betekent ook niet dat God onrechtvaardig is. En Job weet dat als geen ander, getuige zijn antwoord aan zijn vrouw (2:10): naar de praat van de eerstbeste der zottinnen praat ook jij!- het goede aanvaarden we van God en het kwade aanvaarden we niet?

 

Wij hebben ook wel eens mindere dagen. Dat we het niet zien zitten. En dat leidt tot vragen. Vragen aan God. Jacobus 1: 2 is dan wel heel irritant positief: Acht het een en al verheuging, broeders-en-zusters van mij, wanneer ge in velerlei verzoekingen valt, 

 

Waarom dienen we God? Om de welvaart die Hij geeft? De presentjes? Of om wie Hij is? Zijn presentie?

 

Dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

Aan uit uw goede, uw geliefde hand.

Dietrich Bonhoeffer, 19-12-1944, vanuit de Kellergevangenis: “Von guten Mächten treu und still umgeben”
Drie maanden later werd hij door de nationaalsocialisten vermoord
[1] Heinrich Schütz, Musikalische Exequien, eerste 40 seconden: https://youtu.be/olFu24sm7JI