Preek zondag 29 mei 2016


kome úw koninkrijk,

 

In onze kringen – die van ‘de Vergaderingen’ – spelt ‘het koninkrijk’ vooral een rol in de toekomst. Willem Ouweneel citerend: “Ik kom zelf uit een traditie waar bijna uitsluitend over het koninkrijk gesproken werd in de toekomstige betekenis: het’ duizendjarig vrederijk’, dat zal aanbreken bij de wederkomst van Christus. Wij christenen werden geacht met Christus te regeren in dat koninkrijk; …..maar wat de tegenwoordige tijd betreft had dat koninkrijk zogenaamd geen enkele betekenis voor ons.”[1]

 

Als je leest in de vier evangeliën, dan kom je daar met enige regelmaat verwijzingen naar het koninkrijk tegen. We lezen de passages uit het evangelie van Johannes:

Joh. 1: 50-52; Joh. 3: 1-5; Joh. 6: 14-15; Joh. 12: 12-15, 20-24; Joh. 18: 33-38; Joh. 19: 14-16, 19-22.

 

Als Nathanaël Jezus ziet (h)erkent hij Hem als Koning van Israel. Nathanaël kende ongetwijfeld psalm 2 ‘Zelf heb ik hem gewijd, mijn koning, op de Sion. En dan zegt Jezus: grotere dingen dan deze

zul je zien! Met psalm 8: hoe machtig uw naam op aarde overal!

 

Bij de wonderbare spijziging zien de Joden hun belang: iemand die broden kan vermenigvuldigen kan vast ook wel de bevrijding van de Romeinen organiseren. Maar dan gaat Jezus weg. Omdat ze hem anders met geweld koning zouden maken. En in 6: 51 spreekt hij over de koning die zijn leven geeft, als brood uit de hemel. Als graankorrel, gezaaid in de aarde.

 

Bij de intocht in Jeruzalem komt de koning binnenrijden. Als voorzegd in Zacharia 9. En in psalm 118: 26. De geschiedenis had het voorzegd. De geschiedenis werd vervuld. Maar de geschiedenis keek de verkeerde kant op! De juichers wilden een koning die de Romeinen een lesje zou leren. Ongetwijfeld wist Jezus dat sommigen van deze personen zes dagen later ‘kruisig hem’ zouden schreeuwen.

Als er dan twee Griekse mannen komen die wel iets van Jezus willen weten, praat Jezus over de tarwekorrel die in de aarde valt, sterft en dan veel vrucht draagt. En direct daarna komt er een stem uit de hemel die zegt ‘ik heb hem verheerlijkt en zal hem wéér verheerlijken!’ Een gekruisigde koning. Wie kan zich zoiets voorstellen? Voor de omstanders volmaakt onbegrijpelijk.

 

En ook Pilatus snapt er weinig van. De Joden willen zijn handtekening onder een doodvonnis. Dus ondervraagt hij de aangeklaagde. Die bevestigt dat hij een koning is, maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet van hier. Als er een politiek rijk was zou er een opstand komen. Maar Jezus heeft geen zwaard of leger. Hij is koning, van het koninkrijk de hemelen. Dat overigens op aarde is gevestigd. Overal waar mensen Jezus’ heerschappij aanvaarden wordt het koninkrijk zichtbaar. Terecht handhaaft Pilatus – het gezeur meer dan beu – zijn opschrift boven het kruis: wat ik geschreven heb, héb ik geschreven!

Ook Nicodemus heeft geen idee waarover die nieuwe rabbi Jezus het heeft. Zijn openingszin we weten dat u als leermeester van God gekomen bent wordt door Jezus beantwoord met ‘je snapt er werkelijk helemaal niks van!’ Je mag dan denken dat wij Joden bij God horen en de heidenen het nakijken hebben, maar als je niet wederom geboren wordt sta ook jij aan de kant! Want zozeer heeft God de wereld lief dat hij de zoon, de eniggeborene, geeft,- opdat ieder die in hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Geloof is het kernwoord. Jood zijn betekent niks, Nicodemus.

En eeuwig leven? Dat is niet iets wat je dan later ooit nog eens krijgt. Iets van de toekomst. Maar je hebt het hier en nu! 1 Joh. 5: 20: en wij zijn geworteld in de waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus; hij is de waarachtige God en het eeuwig leven; Het koninkrijk is er, hier en nu.

 

Want Jezus kwam om het koninkrijk van de boze te veroveren en gaf ons de autoriteit om dat werk voort te zetten. Dus waar pijn is, brengen we vreugde, waar geweld is, brengen we vrede, waar ongerechtigheid is brengen we gerechtigheid.”[2]

Vraag: Maar waar blijft dan de God die onze zonden met vergeven en ons hart moet vernieuwen?

“In de vroege kerk werd die vraag niet gesteld, want die twee waren niet gescheiden. De God die je zonden vergeeft was onlosmakelijk verbonden met de God van het koninkrijk. …..Je kunt die twee dingen niet scheiden. Toch heeft de kerk dat wel gedaan.”[3]

 

geschiede úw wil als in hemel ook op aarde

[1] W.J. Ouweneel, Eerst Gods koninkrijk, Medema, 2010

[2] Naar een gebed van Franciscus van Assisi.

[3] Dr Moses Alagbe in EO-Visie april 2016