Preek zondag 17 april 2016


 

Kots deed geboren worden Anoev en Hatsoveva,- en de families van Acharcheel, zoon van Haroem. Dan is daar Jabeets,

1 Kron. 4: 8, 9a

(Vervolg van preek 10 april 2016)

 

9Dan is daar Jabeets, meer geëerd dan zijn broers; zijn moeder had als naam voor hem uitgeroepen ‘Jabeets’, zeggend: omdat ik heb moeten baren ‘beotsev’,- in smart! 10Jabeets riep Israëls God aan en zei: als gij nu met zegen mij zegent en mijn gebied vermeerdert, uw hand met mij zal zijn en gij het kwaad van mij weg zult doen, dan lijd ik geen smart!- en God deed komen wat hij had gevraagd.

 

Nadat Jabes gevraagd heeft om een zo groot mogelijke zegen en vervolgens om meer grondgebied vraagt hij een derde gunst:

 

  • Och dat uw hand met mij zal zijn. Stel dat je niet een zegen krijgt waar je nog wel weg mee weet, maar één waarvan je geen idee hebt wat je ermee aan moet.

(Als beeld: je laat vallen dat je wel wat open haardhout kunt gebruiken en je vriend die in de bosbouw zit laat een gigantische eikenhouten stam met een grote takel op je oprit leggen! Je vrouw vraagt wat dat te betekenen heeft. Jullie kunnen wekenlang je deur nauwelijks uit of in. En het hout is te hard om te zagen of te kloven. Paniek!)

De zegen gaat alles te boven wat jij je maar kon voorstellen. Aan eerdere ervaringen heb je niks! Die zeggen helemaal niets over wat je ermee aan moet. Gevoelens van zekerheid, veiligheid en ‘ik kom hier wel uit’ zijn compleet afwezig. Je voelt je een loser en een dwaas dat je überhaupt om een zegen hebt gevraagd. En je neemt je voor ermee te stoppen. De boel de boel te laten en de zegen de zegen. Zeg nou zelf: dit kan toch niet?! Je denkt dat je te ver gegaan bent. Dat je verkeerd zit. Dat je God verkeerd hebt begrepen (of Hij jou).

‘Heel goed’ zegt God. Jij kunt dit niet zonder mijn hulp! 2 Cor. 3: 5: Het is niet zo dat wij van onszelf uit bekwaam zijn en iets kunnen beschouwen als uit onszelf; nee, onze bekwaamheid is uit God,

En dus bidt Jabes dat God ‘m zal helpen. Afhankelijkheid van God moet je leren!

 

  • En dan vraagt Jabes dat God hem bewaart voor het kwaad. Wij hebben nogal eens de gewoonte om hulp te roepen als we in de penarie zitten. Het is grotelijks aan te raden het kwaad zoveel als mogelijk is op voorhand te mijden! En wij christenen verkeren nooit in groter gevaar dan op de toppen van ons geestelijk succes. We verbeelden ons dan makkelijk dat we elk gevaar de baas kunnen:
    • We zijn immers wijs genoeg om het gevaar te doorzien
    • En hebben wel zoveel ervaring dat ons weinig zal overkomen
    • En bovendien: een paar kleine geschenkjes, wat zit daar nou voor slechts in; heb ik toch eigenlijk ook wel een beetje recht op!

We moeten bedenken dat God overwinnaar is en wij ook, mits in Hem (Kol. 2: 13, 15)

 

  • Jabes was meer geëerd dan zijn broers. Niet omdat hij het braafste jongetje van deklas was. Maar omdat hij deed wat later Paulus in praktijk bracht (Phil. 3: 13, 14): 13bvergetend wat achter mij ligt en mij uitstrekkend naar wat vóór mij ligt, 14jaag ik naar het doel voor de prijs van de roeping van boven, van God in Christus Jezus. God vraagt niet om groot talent of geweldige hersens. God doet door gewone mensen heen ongelooflijke dingen.
  • En leidt dat nou altijd tot succesverhalen waar wereldwijd iedereen de mond vol van heeft? Niet dus. Zo Amerikaans gaat God niet te werk. Neem Henri Nouwen. Op de top van zijn glanzende carrière was hij hoogleraar aan de universiteiten van Yale en Harvard. Toen God een gigantische zegen voor ‘m had verliet hij de academische wereld en werd pastor in L’Arche Daybreak in Canada. Daar leerde hij Adam kennen, een meervoudig gehandicapte jongen met epileptische aanvallen. Nouwen ging helpen met Adams verzorging en werd zijn vriend. Hij schreef er een prachtig boek over: Adam, God’s Beloved.
    Een successtory? Niet bepaald. Menigeen vond het schier krankzinnig dat een briljante carrière zo werd opgegeven en snapte er niks van. Ongelooflijk? Ja dus. Gods zegen? Ongetwijfeld. Maar om dat te zien moet je wel eerst Zijn bril opzetten.

 

Keloev, broer van Sjoecha, heeft Mechier geboren doen worden;

dat is de vader van Esjton.

1 Kron. 4: 11