Preek zondag 27 maart 2016 Eerste Paasdag


Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit hebt gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,

 

Eerste Paasdag

 

De christelijke kerk heeft altijd Pasen gevierd. Kerst werd eerst na zo’n 400 jaar een grote feestdag, Pasen was dat altijd. En dat spreekt vanzelf! Pasen is namelijk de reden dat wij christen zijn. Paulus maakt dat heel duidelijk in 1 Kor. 15: 3,4: Want ik heb aan u allereerst doorgegeven wat ik zelf ook heb mogen aannemen: dat Christus is gestorven voor onze zonden, overeenkomstig de Schriften, dat hij is begraven, dat hij ten derden dage is opgewekt, overeenkomstig de Schriften,

 

En ook maakt Paulus heel duidelijk dat hier niet van een ‘toevalligheid’ of een Goddelijk ‘plan B’ of iets dergelijks sprake was. Nee, dit alles – sterven en opstanding van Jezus – was en is nog steeds overeenkomstig de Schriften.

 

Een van de meest pregnante delen uit het Oude Testament waar we lezen over het lijden van de Christus is wel Jesaja 53. Het hoofdstuk over ‘de lijdende knecht des Heren.’ We lezen de verzen 4 t/m 11.

 

Wat ons allereerst onthutst is dat het lijden van de Messias gewild werd door God zelf, zijn vader (:4): wij hielden hem voor gewoon een geplaagde, geslagen door God, die vernederde. Wie kan dat werkelijk begrijpen? Een vader (De Vader!) die zijn Zoon vernedert en slaat? En was dat omdat wij wel wisten dat we zonder hem reddeloos waren? Dat we hem nodig hadden? Allerminst (:3, 4): veracht, wij hebben hem niet geacht. En toch, ónze ziekten heeft hij gedragen, onze smarten, hij heeft ze getorst;

 

Voor ons mensen is het moeilijk om de gruwelijkheid van de zonde te beseffen. We redeneren nogal eens in de trant van ‘ik sta niemand naar het leven, ik pleeg geen overspel en ook bezat ik me niet; eigenlijk valt het met mij nog wel mee.’ En daarmee spiegelen we ons aan grotere slechteriken.

Maar we moeten ons spiegelen aan iemand anders. Aan God zelf. Die heilig is en een ontoegankelijk licht bewoont. We moeten ons realiseren dat we zonder uitzondering allemaal tekort komen als de norm (die van) God zelf is. De enige die aan die normen kon voldoen was Gods zoon (: 5): Maar hij werd doorboord om onze overschrijdingen, verbrijzeld om onze ongerechtigheden; de straf die ons de vrede aanbrengt was op hem, door zijn striemen is ons genezing geworden.

 

Wij worden getekend (:6) als schapen die juist van God weglopen. We wilden hen beslist niet kennen. maar de Ene heeft op hem doen neerkomen het onrecht van ons allen.

 

Het was Gods plan van alle eeuwen. Schrijnender dan in vers 10 kan het niet worden gezegd: De Ene heeft het behaagd hem te verbrijzelen, ziek te maken,

 

Voor ons stervelingen houdt hier het begrijpen op. Is dit een bewijs van Gods liefde? Absoluut! En als Christus niet verbrijzeld was, zou die straf dan ons gegolden hebben? Evenzeer absoluut! God wordt verzadigd door het lijden van zijn Zoon. En dat (:11): brengt rechtvaardiging voor de velen,- wier ongerechtigheden hij torst.

 

Telkens als wij avondmaal vieren staat ons dit voor ogen. Kijken we naar en denken wij aan iets wat ons bevattingsvermogen ver te boven gaat. Reiken wij elkaar het lichaam en het bloed van Christus aan. We realiseren ons dat het lijden van Christus aan al Gods heilige eisen tegemoet kwam. Daarom werd hij op de derde dag opgewekt. De dood was overwonnen. Gods voornemen was werkelijkheid geworden. Want (: 10): wat de Ene behaagt zal door zijn hand gelukken.

 

De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Jacob Revius, Hy droegh onse smerten (Deventer, 1630)