Preek zondag 28 februari 2016


Waar de weg mij brengen moge,

aan des Vaders trouwe hand,

 

Net als elk mens hebben ook wij christenen wel eens problemen met onze gezondheid. En net als elk mens maken ook wij ons zo nu en dan zorgen. En dat des te meer naarmate we ouder worden. Omdat ons lichaam gebreken gaat vertonen die niet weer over gaan. Omdat ons pensioen toch minder is dan we verwachtten en de voorspellingen luiden dat dat nog wel wat erger zal worden. Omdat de ene na de andere crisis op ons af komt. De economische crisis. De milieucrisis. De energiecrisis. De vluchtelingencrisis. En zo voorts. Hoe moet je daar nu mee om gaan?

 

We lezen Rom. 8: 18 – 25:

Want ik reken erop dat al wat we in het tijdsgewricht van nu te lijden krijgen niet opweegt tegen de heerlijkheid die ons onthuld gaat worden.

Ja, reikhalzend wacht de schepping op de onthulling van de zonen-en-dochters van God.

Want de schepping is onderworpen aan vergeefsheid, niet omdat ze dat wil, maar door hem die haar onderwerpt; in hope,

omdat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de knechtschap van het bederf tot de vrijheid die ligt in de heerlijkheid van de kinderen van God.

Want wij weten dat heel de schepping mee-zucht en mee in barensnood is tot nu toe.

En niet alleen zij, nee, ook wijzelf die de eerstelingsgave van de Geest bezitten, ook wij zuchten over ons eigen lot zolang wij nog de aanneming tot zonen-en-dochters moeten afwachten,- de loskoping van ons lichaam.

Want in die hoop worden wij gered. Maar hoop die het gehoopte al kan bekijken is geen hoop; als iemand het al kan bekijken, wat zal hij ook hópen?

Maar als we hopen op wat we niet kunnen bekijken, moeten we in volharding afwachten.

 

We lijken soms wel op de boeren uit psalm 126. Ze zaaiden, en ze huilden daarbij. Je weet nooit of het zaaigoed iets zal opbrengen. En dan ben je het dus gewoon kwijt. Maar ook realiseerden die boeren zich dat God voor hen kon en zou zorgen. En dat ze dan juichend hun schoven zouden binnenhalen.

 

Dat is ook wat Paulus ons hier voor ogen stelt. We krijgen te lijden. Maar er is een toekomst die mooier is dan wat we kunnen bedenken. De schepping is op dit moment nogal behoorlijk verloederd. Er is honger. Er zijn aardbevingen. Vulkanen barsten uit met gruwelijke gevolgen. Terwijl de aarde ooit volmaakt was geschapen door God. En die schepping ziet reikhalzend uit naar het uiteindelijke herstel dat God gaat geven.

 

Dat geldt ook voor ons mensen. Makkelijk is het lang niet altijd. We zuchten als in een barensproces zegt de tekst. Opmerkelijke vergelijking. Hoe pijnlijk ook, in dat proces is er geen weg terug! Het kind moet geboren worden. En in die hoop houdt de aanstaande moeder vol.

Ook wij moeten doorzetten. Zuchtend, dat wel zo nu en dan. Maar ook in de verwachting van de aanneming tot zonen-en-dochters.

 

Want zegt Paulus: dat is onze hoop. In de boven geciteerde tekst staan twee zaken centraal:

  1. De pijn nu is er. Maar die staat in geen verhouding tot de heerlijkheid die nog onthuld gaat worden.
  2. En dat is dus de hoop. En dat is niet de hoop in de definitie van ’je weet het nooit zeker, maar het zou kunnen.’ We weten inderdaad niet wanneer aan alle lijden op aarde een eind komt. Wanneer ‘de loskoping van ons lichaam’ een feit zal zijn. Maar God doet zijn beloften altijd gestand. God is getrouw. Zijn plannen falen niet.

 

Met Hebreeën 11 vers 1a: Geloof viert de werkelijkheid van wat wordt gehoopt.

 

 

 

loop ik met gesloten ogen

naar het onbekende land.