Preek zondag 6 december 2015


“Bron van het zijnde, groot zijt Gij:

 

Hoe kijk je tegen mensen aan? Wat is dan belangrijk? In het verre oosten bijvoorbeeld is leeftijd hoogst belangrijk. Een oudere geef je in alle opzichten voorrang.

In onze westerse wereld gaat het nogal eens om de status die baan en bankrekening je verlenen. Iemand die zijn vermogen verloor klaagde dat hij tevens geen vrienden meer over had. En een ander die met pensioen ging had het gevoel ’dat hij van de aardbodem was verdwenen’ en niks meer voorstelde.

 

En als je de bijbel leest, wie is dan de mens? Gen. 1, 26, 27: Dan zegt God: maken wij een –rode– mensheid in ons beeld en als onze gelijkenis,- laten zij neerdalen bij de vissen van de zee en het gevogelte van de hemel, bij het vee en bij alles van het land, en bij alle kruipsel dat kruipt over het land! God schept de –rode– mensheid in zijn beeld, in het beeld van God heeft hij hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk heeft hij hen geschapen.

 

Het begin van Genesis leert ons een paar belangrijke lessen. God schept de hemel en de aarde. En vervolgens richt hij de aarde in. Steeds spreekt God, en wat hij zegt gebeurt onmiddellijk.

Als God de mens maakt gaat dat iets anders. God maakt voortaf zijn plan bekend en eerst daarna gaat hij over tot de scheppingsdaad. En God – de drie-ene God – schept de mens naar het beeld van zichzelf. Nadat God in zichzelf had overlegd.

Genesis 2 beschrijft dat wat uitvoeriger. God maakt de mens uit stof van de grond en blaast in zijn neusgaten de ademhaling van leven. Zo is de mens aan de ene kant een stoffelijk en fysiek wezen, en aan de andere kant een geestelijk wezen.

God schept de mens in zijn eigen beeld. Terecht noemen wij de mens dus ook ‘beelddrager van God.’

 

Nu moeten we vooral niet denken dat een beeld gelijk is aan zijn maker. De mens lijkt wel op God, maar is beslist niet gelijk aan God. God is Geest, de mens is stoffelijk en geestelijk. God is eeuwig en oneindig in alle opzichten; de mens kent in alle opzichten zijn beperkingen. De mens kent een begin. God is er altijd geweest. God kan niet zondigen; wij mensen ontsnappen niet aan de zonde.

 

God schiep de mens en plaatste hem op aarde. God is de eigenaar. Hij schiep de aarde niet voor een woest-en-ledig, maar om er te zetelen heeft hij haar gevormd (Jes. 45, 18). De mens krijgt de opdracht om de aarde te onderwerpen en er voor te zorgen. Als Gods stadhouder op aarde.

 

Dieren warden geschapen naar hun aard. Mensen worden naar Gods beeld gecreëerd. Nu zijn er die zeggen dat dat ophield bij de zondeval. Maar Genesis 9, 6 laat dat anders zien. Ook na de zondeval laat God nog weten dat de mens is gemaakt naar zijn beeld. Wat betekent dat nou? Sommigen zien het intellect van de mens als beeld van God. De mens bijvoorbeeld doorgrondde de dieren toen hij hen namen gaf. Anderen (Calvijn bijv.) zien de geestelijke kant van de mens als beeld van God. De bijbel laat zich er niet echt over uit.

 

In onze wereld gaan velen er van uit dat de mens zijn eigen identiteit en normen kan creëren. Maar alle mensen, jong of oud, man of vrouw, van welk geloof of ras dan ook zijn beelddrager van God. Of ze dat nou weten of niet. Of ze dat nou willen of niet.

 

Als we dat serieus nemen, hoe gaan wij dan met andere mensen om? Is dat van belang voor onze levenshouding?

 

William Wilberforce (24 augustus 1759 – 29 juli 1833) was een christen en Engels parlementariër. Hij was – tegen vele van zijn partijgenoten in – een fervent tegenstander van de slavernij. Op 12 mei 1789 hield hij zijn eerste toespraak tegen de slavernij en vanaf toen was hij een van de leidende figuren in de beweging. Hij hield vol en uiteindelijk werd in 1807 een wet aangenomen die slavenhandel illegaal maakte. De afschaffing van de slavernij zelf werd eerst drie dagen voor zijn dood in 1833 bekrachtigd. Alle slaven in het Britse Rijk kregen hierdoor hun vrijheid terug.

Ook wij moeten de mensen om ons heen zien als Gods beelddragers. En hen ook zo benaderen. Hen in aanraking brengen met het evangelie. Want de God die (1 Joh. 1, 9) als we onze zonden belijden hij getrouw en rechtvaardig is om ons de zonden te vergeven wil met alle mensen omdat ze zijn beelddrager zijn zo een onverstoorde relatie hebben.

 

eeuwig oneindig, en zo nabij.”