Preek zondag 29 november 2015


Bemoedigt elkaar dan zó,

 

In de bijbel wordt vaak in beelden gesproken. Ook de Heer Jezus gebruikt nogal eens woorden in een oneigenlijke betekenis. Om iets heel duidelijk te maken op een manier die blijft hangen.

 

Excursie Een prachtig voorbeeld van beeldspraak zie je in Joh. 13, 1-17, in de geschiedenis van de voetwassing. Lang dacht ik dat hier louter en alleen een staaltje van nederigheid werd onderwezen. Tot me plotseling de beeldspraak opviel: als christenen bevuilen we allemaal onze voeten (en handen en ogen en oren). En die moeten dan worden schoongemaakt. Door medechristenen die ons daarop wijzen. En dat op een manier die inderdaad niet hooghartig of belerend is.

 

In Matteüs 24, 32-34 lezen we: Leert van de vijgenboom het zinnebeeld: wanneer ten slotte haar tak week wordt en de bladeren uitbotten herkent ge dat de zomer nabij is; zó ook gíj: wanneer ge al deze dingen ziet, herkent dan dat het nabij is, voor de deuren (staat);

Kort daarvoor had de Heer een vijgenboom vervloekt (Matteüs 21, 18-19) : Als hij in de vroegte opgaat naar de stad, wordt hij hongerig; hij ziet één vijgenboom langs de weg, maar als hij op haar afkomt vindt hij aan haar niets dan alleen bladeren en hij zegt tot haar: worde uit jou nooit meer vrucht tot in de eeuwigheid! En op slag verdort de vijgenboom.

 

De vijgenboom is in de bijbel een beeld van Israël zelf. Joël 1, 6-7 noemt Israel in beeldspraak een wijnstok, een vijgenboom.

Hoe moeten we in dat licht nu de geschiedenis van de vijgenboom in Matteüs begrijpen?

 

Israel, de vijgenboom komt weer in blad. De natie Israel, waarvan lang geen enkele sprake was, wordt weer zichtbaar. Maar aan de andere kant wonen er op dit moment meer Joden buiten Israel dan erbinnen.

Israel vandaag is een seculiere staat. De vijgenboom heeft geen vruchten. Er is geen relatie met God. Geen eer of erkenning voor Hem. Ook daarvan vinden we een opmerkelijke illustratie in Ezechiël 37, 1-14. God laat Ezechiël een kloof met dode beenderen zien. Ezechiël krijgt de opdracht een profetie over deze beenderen uit te spreken, en (:8) ziedaar: pezen over hen, vlees dat opklimt, en een huid die hij over hen trekt daaroverheen; maar nog geen geestesadem in hen. Dan zegt hij tot mij: profeteer tot de Geest,- profeteer, mensenzoon, en zeg tot de Geest: zo heeft gezegd mijn Heer, de Ene: kom vanuit vier geestesstreken, o Geest, en blaas in deze vermoorden, dat ze herleven!

Eerst is er wel weer vlees en spieren op de botten, maar geestesadem is er nog niet. Israel bestaat wel, maar Gods geest is niet in of bij hen. En dat gaat veranderen, zo laat Ezechiël zien. God zelf zal de Geest weer in hen blazen en op die manier Israel tot echt leven wekken. Ik zal mijn geestesadem in u geven en ge zult léven, en ik zal u neerzetten op uw –rode– grond; weten zult ge dat ik, de Ene, heb gesproken en zal doen, is de tijding van de Ene!

 

En dan zegt Matteüs 24, 34 amen is het, zeg ik u, dat deze generatie niet voorbijgaat eer al deze dingen geschied zijn;

Wie wordt er nu met deze generatie bedoeld? Dat zullen niet de mensen zijn die toen leefden. Veel logischer is dat het gaat om de generatie die de vijgenboom weer ziet groeien. Dier ziet dat de staat Israël weer is opgericht. De generatie van 1948 dus! En dat betekent dat wij er heel dichtbij zitten.

 

Daar pleit ook de profetie van Lukas 21, 29-30 voor: Hij zegt het hun met een zinnebeeld:

ziet de vijgenboom aan, en álle bomen: wanneer ze alweer uitbotten en ge kijkt ernaar, dan herkent ge vanzelf dat de zomer alweer nabij is;

Alle bomen, naast de vijgenboom Israel! Ook Syriër, Libanon, Jordanië, Egypte dus. Landen die net als Israel eeuwenlang geen enkele rol op het wereldtoneel speelden. En die vandaag dagelijks de koppen van de kranten halen.

 

De aarde verstikt zichzelf zo ongeveer in zijn problemen. Economisch. Politiek. Qua milieu. Het bedje lijkt gespreid voor een sterke man die de chaos aanpakt. De antichrist.

 

En wij? De oproep is om (Matt. 24, 42; 1 Thess. 5, 6): wákker te blijven en nuchter te zijn. En met 1 Kor. 15, 58: wordt standvastig, onverzettelijk, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende dat uw arbeid niet vergeefs is in de Heer!

 

in deze bewoordingen.